ECLI:NL:RVS:2008:BC7148
Raad van State · 06-03-2008 · zaaknummer 200800860/1
Inhoudsindicatie
Artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn / binnenlands gewapend conflict / Nepal / verlening verblijfsvergunning asiel aan broer ten onrechte niet betrokken Van een binnenlands gewapend conflict, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, is - zoals de Afdeling heeft overwogen in voormelde uitspraak van 20 juli 2007 - eerst sprake, indien een georganiseerde gewapende groep met een verantwoordelijk bevel in staat is op het grondgebied van een land of een gedeelte daarvan jegens de strijdkrachten van de autoriteiten van dat land militaire operaties uit te voeren die aanhoudend en samenhangend van aard zijn. Nu de vreemdeling zijn stelling dat in Nepal sprake is van een binnenlands gewapend conflict op geen enkele wijze heeft onderbouwd, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat zich ten tijde van het besluit van 25 april 2007 een zodanig conflict voordeed. Een zodanige onderbouwing had te meer in de rede gelegen, nu van algemene bekendheid is dat in november 2006 in Nepal vredesakkoorden zijn gesloten. Reeds daarom valt hij niet onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn. De klacht, dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas reeds met zich brengt dat het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn niet kan slagen, behoeft geen bespreking, omdat - wat van die klacht ook zij - de rechtbank, in het licht van het vorenstaande, terecht heeft geoordeeld dat de vreemdeling geen aanspraak op bescherming kan ontlenen aan deze bepaling. De grief faalt. [..] Nu de vreemdeling in zijn zienswijze - derhalve voorafgaand aan het nemen van het besluit op zijn aanvraag - heeft aangevoerd dat aan zijn broer, bij besluit van 14 november 2006, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is verleend en hij in zijn asielrelaas uitdrukkelijk de problemen die zijn broer van de zijde van de maoïsten heeft ondervonden ten grondslag heeft gelegd aan zijn asielmotieven, diende de staatssecretaris dit bij zijn beoordeling te betrekken en te bezien of en, zo ja, welke waarde hij hieraan hecht. Niet kan immers worden uitgesloten dat de inwilliging van de asielaanvraag van de broer van betekenis is voor de beoordeling van het relaas van de vreemdeling. Ook brengt de besluitvormingsprocedure, die voorziet in het indienen van een zienswijze op het voornemen van de staatssecretaris om een asielaanvraag af te wijzen, met zich dat dit gegeven niet buiten beschouwing kan worden gelaten reeds op de grond dat het niet eerder door de vreemdeling is aangevoerd. Aangezien de staatssecretaris terzake ten onrechte geen nader onderzoek heeft verricht, is het beroep gegrond en dient het besluit van 25 april 2007 wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. De staatssecretaris dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
