ECLI:NL:RVS:2008:BC6604
Raad van State · 29-02-2008 · zaaknummer 200701721/1
Inhoudsindicatie
Mvv-vereiste / 8 EVRM / jurisprudentie EHRM / Kamerstukken In een procedure waarin het mvv-vereiste wordt tegengeworpen, kan artikel 8 van het EVRM slechts een rol spelen in het kader van de beantwoording van de vraag of het tegenwerpen van dat vereiste in een concreet geval een schending van voormeld artikel zal opleveren. Nu de uit het mvv-vereiste voortvloeiende verplichting Nederland te verlaten in beginsel slechts tijdelijk van aard is, zal van een dergelijke schending slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Of artikel 8 van het EVRM ook tot vergunningverlening zou moeten nopen, kan, zoals de Afdeling in haar uitspraak van 28 september 2004 in zaak nr. 200403756/1 (JV 2004/432), heeft overwogen, daarbij nog niet aan de orde zijn. Het beroep van de vreemdeling op [de ontvankelijkheidsbeslissing van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 12 mei 2005 in zaak nr. 1872/04, Abdullahi Ibrahim Mohamed tegen Nederland (JV 2005/303) en het arrest van het EHRM van 31 januari 2006 in zaak nr. 50435/99, Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland (JV 2006/90)] kan, anders dan de vreemdeling heeft betoogd, hieraan niet afdoen. Het EHRM heeft niet overwogen dat in een procedure waarin het mvv vereiste is tegengeworpen moet worden beoordeeld of artikel 8 van het EVRM tot vergunningverlening zou moeten leiden. In de ontvankelijkheidsbeslissing heeft het EHRM een klacht dat Nederland artikel 8 van het EVRM schendt door van een vreemdeling te verlangen naar een buurland van Somalië te reizen en daar een mvv aan te vragen slechts ontvankelijk verklaard. In de zaak die heeft geleid tot het arrest van 31 januari 2006 was de vraag of een tijdelijke terugkeer naar het land van herkomst van de vreemdeling in verband met een daar aan te vragen mvv in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM niet aan de orde. Reeds omdat uit de door de vreemdeling aangehaalde beantwoording door de minister van vragen van [leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal op 9 december 2003 (Aanhangsel Handelingen I 2003/04, nr. 7) en van leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 23 september 2005 (Aanhangsel Handelingen II 2005/06, nr. 20) en uit zijn brieven van 15 juli 2004 (Eerste Kamer, 2003 2004, 29 224, E) en 19 april 2005 (Eerste Kamer, 2003-2004, 29 224, F)], , anders dan zij heeft aangevoerd, niet kan worden afgeleid dat in een procedure naar aanleiding van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij een Nederlands kind, waarin het ontbreken van een mvv wordt tegengeworpen, steeds wordt getoetst of artikel 8 van het EVRM tot vergunningverlening noopt, kunnen deze evenmin afdoen aan overweging 2.3.1.
Advocaten
- G.M.H. Hoogvliet
- R.J.J. Flantua
Partijen
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
