ECLI:NL:RVS:2007:BC0714
Raad van State · 22-11-2007 · zaaknummer 200705233/1
Inhoudsindicatie
Verdragsvluchteling / beoordeling / land van herkomst / nationaliteit Niet in geschil is dat de vreemdeling van Wit-Russische en haar echtgenoot van Afghaanse nationaliteit is. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 ziet, evenals artikel 1 (A), onder 2, van het Vluchtelingenverdrag, uitsluitend op personen die zich uit gegronde vrees voor vervolging in de zin van deze bepalingen bevinden buiten het land, waarvan zij de nationaliteit hebben en die de bescherming van dat land niet kunnen of uit hoofde van bovenbedoelde vrees niet willen inroepen. Genoemde bepalingen bieden geen grond voor het oordeel dat in een situatie als de onderhavige hiervan dient te worden afgeweken. De minister heeft het asielrelaas van de vreemdeling dan ook terecht beoordeeld in het licht van haar nationaliteit. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank ten onrechte haar oordeel dat het besluit van 23 mei 2006 is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb heeft doen steunen op de omstandigheid dat de echtgenoot van de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel is verleend op de grond als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
