Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9710

Raad van State · 15-02-2007 · zaaknummer 200606532/1

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Mvv vereiste / grenzen van het geschil / rechtsgronden In grief 1 klaagt de minister dat de rechtbank, door te overwegen dat zij de beroepsgrond van de vreemdeling dat de minister in zijn geval ten onrechte niet anders heeft beslist en het algemeen belang heeft laten prevaleren boven zijn belang, aldus begrijpt, dat de vreemdeling daarmee een beroep heeft gedaan op de inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in strijd met artikel 8:69 van de Awb buiten de grenzen van het geschil is getreden. Ingevolge artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van de Awb doet de rechtbank uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting. Ingevolge het tweede lid vult de rechtbank ambtshalve de rechtsgronden aan. Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: het mvv vereiste). Ingevolge het vierde lid kan de minister het eerste lid buiten toepassing laten, voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Hetgeen de vreemdeling in voormelde beroepsgrond heeft aangevoerd, biedt, mede gelet op de conclusie van de vreemdeling in het aanvullend beroepschrift van 11 augustus 2005 dat het niet redelijk is dat de minister heeft geoordeeld dat toepassing van het mvv-vereiste niet zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, geen aanknopingspunten om de met betrekking tot het tegenwerpen van het mvv-vereiste geformuleerde klacht op te vatten als zou hij hebben beoogd te betogen dat hij in bijzondere omstandigheden verkeert in verband waarmee de minister niet onverkort aan het ter invulling van artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 gevoerde beleid kon vasthouden. De rechtbank heeft deze klacht derhalve ten onrechte als een beroep op de in artikel 4:84 van de Awb neergelegde zogenoemde inherente afwijkingsbevoegdheid uitgelegd en had in dit verband dan ook moeten volstaan met de overweging onder II.8 van de uitspraak, dat de beroepsgrond dat de minister ten onrechte geen toepassing aan het bepaalde in artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 heeft gegeven wordt verworpen. De grief slaagt.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.