ECLI:NL:RVS:2007:AZ9706
Raad van State · 13-02-2007 · zaaknummer 200700564/1
Inhoudsindicatie
Geloofwaardigheid asielrelaas / toetsing / zorgvuldigheid In het besluit heeft de minister zich voorts op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van de vreemdeling ongeloofwaardig wordt geacht, omdat het de vereiste positieve overtuigingskracht mist. Aan dat oordeel heeft de minister het volgende ten grondslag gelegd. De vreemdeling heeft verklaard dat hij in Afghanistan werd bedreigd door een krijgsheer genaamd Jandad. Deze bedreigingen zouden verband houden met de betrokkenheid van deze krijgsheer bij de gewelddadige dood van de ouders en broer van de vreemdeling. De minister acht dit verband niet aannemelijk gemaakt omdat de verklaringen van de vreemdeling hierover uitsluitend op eigen vermoedens en verklaringen van dorpsgenoten zijn gebaseerd. In verband hiermee acht de minister evenmin geloofwaardig dat de krijgsheer de vreemdeling uit angst voor wraak zou hebben bedreigd. Voorts heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat, voor zover de bedreigingen verband hielden met de bezittingen van de vreemdeling, ondanks het stelselmatig niet voldoen aan de verlangens van de krijgsheer repercussies van die zijde zijn uitgebleven. In de eerste grief klaagt de minister dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat sprake is van een motiveringsgebrek, nu de minister in het besluit niet (kenbaar) erbij heeft stilgestaan dat de vreemdeling, zoals hij ook heeft aangevoerd in zijn zienswijze, in het nader gehoor eveneens uit eigen waarneming heeft verklaard, en deze verklaring niet uitdrukkelijk irrelevant of ongeloofwaardig is geacht. De vreemdeling heeft in zijn zienswijze aangevoerd dat hij tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat krijgsheer Jandad tegen hem heeft gezegd dat wat zijn ouders is overkomen, hem ook zal overkomen en dat hij niet in leven zou worden gelaten. Vastgesteld moet worden dat de vreemdeling dit inderdaad heeft verklaard. De overwegingen in het besluit dat de verklaringen van de vreemdeling voor zover hier van belang uitsluitend op eigen vermoedens en verklaringen van dorpsgenoten zijn gebaseerd en dat de vreemdeling andermaal heeft geantwoord dat hij het allemaal niet zeker weet, zelfs niet of Jandad iets te maken had met de dood van zijn ouders en zijn broer, zijn hiermee niet verenigbaar. De voorzieningenrechter constateert terecht dat de minister aldus in dit geval ten onrechte ongemotiveerd aan de verklaring van de vreemdeling voorbij is gegaan. De minister stelt voorts ten onrechte, gelet op de beroepsgronden, dat de voorzieningenrechter deze verklaring zelfstandig in zijn overwegingen heeft betrokken. De grief faalt.In de derde grief klaagt de minister dat – samengevat weergegeven de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de minister er in het besluit ten onrechte van is uitgegaan dat krijgsheer Jandad de vreemdeling reeds vanaf het begin van de bedreigingen om de eigendomspapieren van zijn woning heeft verzocht. De voorzieningenrechter heeft volgens hem ten onrechte overwogen dat de aanvullingen en correcties, waarin de vreemdeling verklaart dat eerst vier dagen voor het vertrek om de eigendomsakte werd gevraagd, logisch passen in de eerdere verklaringen en daarmee niet in tegenspraak zijn. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid nu het standpunt van de minister, dat de vreemdeling een jaar lang is bedreigd en stelselmatig niet heeft voldaan aan de verlangens van de krijgsheer, berust op een onjuiste lezing van de verklaringen van de vreemdeling. Daartoe heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de vreemdeling zijn verklaringen in de aanvullingen en correcties heeft verduidelijkt en heeft aangegeven dat pas de laatste vier dagen voor zijn vertrek naar de eigendomspapieren van zijn woning is gevraagd. Deze verduidelijking past naar het oordeel van de voorzieningenrechter logisch in de eerdere verklaringen van de vreemdeling en is daarmee niet in tegenspraak. De voorzieningenrechter heeft aldus een zelfstandig oordeel gegeven over de geloofwaardigheid van een onderdeel van het asielrelaas en daarmee niet de te dezen vereiste terughoudendheid betracht. De grief kan evenwel niet leiden tot het ermee beoogde doel. In de zienswijze is, onder verwijzing naar de aanvullingen en correcties van 22 december 2006, onder meer gesteld dat het relaas zoals weergegeven in het rapport van het nader gehoor verkeerd is gelezen en dat het aldus moet worden begrepen dat de bedreigingen toenamen en dat de vreemdeling pas vier dagen vóór zijn vertrek om de eigendomsakte werd gevraagd. De overweging in het besluit, voor zover deze al op dit onderdeel van de zienswijze betrekking heeft, dat in de zienswijze geen argumenten zijn aangevoerd waarom thans van de op enkele punten gewijzigde verklaringen dient te worden uitgegaan, schiet als reactie op het hier aan de orde zijnde onderdeel van de zienswijze tekort, nu het hier niet een gewijzigde verklaring betreft doch de uitleg van het verklaarde tijdens het nader gehoor. Het besluit mist ook in zoverre een draagkrachtige motivering.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
