ECLI:NL:RVS:2007:AZ9591
Raad van State · 13-02-2007 · zaaknummer 200700356/1
Inhoudsindicatie
Centraal- en Zuid Irak / motie De Wit / reactie minister / opschorting uitzetting / criminele antecedenten Hoewel de minister in de brief van 27 december 2006 niet uitdrukkelijk heeft vermeld dat ingeval bij de asielzoekers uit Centraal- en Zuid-Irak sprake is van een strafrechtelijk antecedent of een ongewenstverklaring uitzetting niet achterwege blijft, laat dat onverlet dat de brief in het licht van de op die vreemdelingen betrekking hebbende motie van 20 december 2006 aldus moet worden gelezen, dat deze motie tot niet meer strekt dan een verzoek aan de regering om categoriale bescherming te bieden en dat in deze motie niet is verzocht de bij de toepassing van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 gehanteerde contra-indicaties niet aan die vreemdelingen tegen te werpen. Uit het voorgaande vloeit voort dat de minister als beleid voert dat uitzetting van asielzoekers uit Centraal- en Zuid-Irak bij een strafrechtelijk antecedent of een ongewenstverklaring niet achterwege blijft. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de vreemdeling zich kan beroepen op voormelde toezegging van de minister in de brief van 27 december 2006 om de uitzetting van asielzoekers uit Centraal- en Zuid-Irak op te schorten en dat reëel zicht op uitzetting ontbrak.
Advocaten
- G.E. Jans
- G.M.H. Hoogvliet
- M.P. Bouma
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
