Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RVS:2007:AZ8902

Raad van State · 08-02-2007 · zaaknummer 200605778/1

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Gezinsleven / art. 8 EVRM In voormelde paragraaf B2/13.2.3.4 is neergelegd dat bij de belangenafweging die deel uitmaakt van de beoordeling of op de minister een positieve verplichting rust, een zwaar gewicht wordt toegekend aan de omstandigheid dat de hoofdpersoon bij wie verblijf wordt beoogd bij het aanvangen van het gezinsleven het risico heeft aanvaard dat het gezinsleven niet in Nederland kan worden uitgeoefend. Er is geen grond voor het oordeel dat dit onderdeel van het beleid, waarop de minister mede zijn standpunt heeft gebaseerd, in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, volgt uit het arrest van het EHRM in de zaak Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006 (JV 2006/90) niet dat de minister aan evenbedoelde omstandigheid geen zwaar gewicht heeft mogen toekennen. Het EHRM heeft in dit arrest overwogen dat: "Another important consideration will also be whether family life was created at a time when the persons involved were aware that the immigration status of one of them was such that the persistence of that family life within the host state would from the outset be precarious. The Court has previously held that where this is the case it is likely only to be in the most exceptional circumstances that the removal of the non-national family member will constitute a violation of Article 8 (..).". Voor het oordeel dat de omstandigheden en belangen van betrokkenen, onder wie de kinderen van referente, een zodanig zeer bijzonder geval opleveren als waarvan in voormelde zaak Rodrigues da Silva en Hoogkamer sprake was, bestaat geen grond. Voor deze opvatting vindt de Afdeling steun in de arresten van het EHRM in de zaak Useinov tegen Nederland van 11 april 2006 (EHRC 2006/93) en in de zaak Priya tegen Denemarken van 6 juli 2006, no. 13594/03. Een belangrijke omstandigheid bij de belangenafweging is volgens meergenoemde paragraaf voorts dat de hoofdpersoon bij wie verblijf wordt beoogd zijn of haar eigen verantwoordelijkheden draagt, ook wat betreft de kosten van zijn of haar levensonderhoud en dat van de gezinsleden die hij of zij wenst te laten overkomen. Van de hoofdpersoon wordt verwacht dat hij of zij gedurende een termijn van drie jaar alles op alles heeft gezet om werk te krijgen en zodoende duurzaam te gaan beschikken over voldoende zelfstandige bestaansmiddelen. Het bestaan van een objectieve belemmering voor gezinsleven buiten Nederland brengt aldus volgens dit beleid niet zonder meer een positieve verplichting tot verblijfsaanvaarding mee, doch is een van de wegingsfactoren bij de belangenafweging. Deze zal alleen dan op voorhand in het voordeel van de vreemdeling kunnen uitvallen, indien sprake is van een uitzichtloze situatie waarin van tevoren al volstrekt duidelijk is dat nimmer aan de voorwaarden voor verblijfsaanvaarding zal kunnen worden voldaan en waarin het vragen van inspanningen om alsnog aan de voorwaarden te voldoen, zinloos is. Door te overwegen dat het op termijn aan de voorwaarden kunnen voldoen juist één van de omstandigheden is die bij de belangenafweging in het voordeel van de vreemdeling weegt, heeft de rechtbank dit beleid miskend. Er is geen grond voor het oordeel dat dit onderdeel van het beleid, waarop de minister zijn standpunt mede heeft gebaseerd, in strijd is met artikel 8 van het EVRM. In dit verband is van belang dat het EHRM in de zaak Haydarie en anderen tegen Nederland van 20 oktober 2005 (JV 2006/273) overweegt dat: "In principle, the Court does not consider unreasonable a requirement that an alien who seeks family reunion must demonstrate that he/she has sufficient independent and lasting income, not being welfare benefits, to provide for the basic costs of subsistence of his or her family members with whom reunion is sought.". Er is voorts geen grond voor het oordeel dat de minister niet alle relevante belangen en omstandigheden bij de beoordeling heeft betrokken en hij - ook indien wordt aangenomen dat sprake is van een objectieve belemmering in vorenbedoelde zin - het algemeen belang niet heeft kunnen laten prevaleren boven dat van de vreemdeling, zoals hij heeft gedaan. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.