ECLI:NL:RVS:2006:AY1575
Raad van State · 03-07-2006 · zaaknummer 200602792/1
Inhoudsindicatie
Procesbelang / categoriaal beschermingsbeleid / beleid andere EU-landen / toetsingskader. De aangevallen uitspraak strekt ertoe dat de minister opnieuw zal moeten beoordelen of de vreemdeling in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning op ex artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000. Het hoger beroep van de vreemdeling is uitsluitend gericht tegen de overweging dat een aantal door hem terzake van die toelatingsgrond aangevoerde beroepsgronden niet kunnen slagen. Nu deze beroepsgronden onverbrekelijk met het onderdeel van het besluit van 17 maart 2006, waaromtrent de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het de toetsing in rechte niet kan doorstaan samenhangen, heeft het niet instellen van hoger beroep tegen het oordeel van de voorzieningenrechter over die beroepsgronden niet tot gevolg dat de minister bij de nieuw te nemen beslissing van dat oordeel heeft uit te gaan. Dit geldt evenmin in het geval in rechte opnieuw wordt toegekomen aan beoordeling van die beroepsgronden. Gelet hierop, kan de vreemdeling door het instellen van hoger beroep niet in een gunstiger positie geraken en heeft hij bij dat hoger beroep geen belang. In de enige grief klaagt de minister dat de voorzieningenrechter, door te overwegen dat, wanneer de minister op grond van het beleid van andere landen van de Europese Unie afziet van het voeren van een beleid van categoriale bescherming, in ieder geval tot op zekere hoogte, duidelijk zal moeten zijn wat het beleid in die landen inhoudt, welke overwegingen daaraan ten grondslag liggen en hoe zich dit feitelijk verhoudt tot het Nederlandse beleid en de minister zich, nu vooralsnog te onduidelijk is wat het beleid van de omringende landen inhoudt, niet zonder nader onderzoek, dan wel nadere verduidelijking, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij op voormelde grond afziet van het voeren van een beleid van categoriale bescherming ten aanzien van asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak, heeft miskend dat de in rechte aan de beslissing om geen beleid van categoriale bescherming te voeren te stellen motiveringseisen dienen aan te sluiten op het rechterlijk toetsingskader. Nu de beslissing om ten aanzien van asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak zodanig beleid niet langer te voeren in een brief aan de Tweede Kamer is neergelegd, in een overleg met de Tweede Kamer aan de orde is geweest en door die Kamer is gesanctioneerd, dient de rechter deze beslissing in beginsel te accepteren zoals die is kenbaar gemaakt en daaraan geen nadere motiveringseisen te stellen, aldus de minister. Na gegrondverklaring van het hoger beroep en vernietiging van de uitspraak overweegt de Afdeling als volgt. Het betoog dat de Tweede Kamer op basis van deels onjuiste, dan wel onvolledige informatie met de beslissing van de minister om geen beleid van categoriale bescherming ten aanzien van asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak te voeren heeft ingestemd faalt, nog daargelaten wat het gevolg daarvan zou kunnen zijn voor de rechtmatigheid van het bestreden besluit, reeds omdat het aan de Tweede Kamer is te beoordelen of zij voldoende is geïnformeerd om te oordelen over een beslissing van de minister om ten aanzien van asielzoekers afkomstig uit een bepaald land geen beleid van categoriale bescherming te voeren en het niet de taak van de rechter is te onderzoeken of de Tweede Kamer zich op adequate wijze van haar taak heeft gekweten. Het in beroep aangevoerde levert voorts geen grond op voor het oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat andere Europese landen geen met een beleid van categoriale bescherming vergelijkbaar beleid voeren voor asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak. Volgens het ambtsbericht acht het Verenigd Koninkrijk Irak veilig genoeg voor gedwongen terugkeer. Dat tot op heden vanuit het Verenigd Koninkrijk geen gedwongen terugkeer naar Centraal-Irak heeft plaatsgevonden, laat onverlet dat het beleid van dat land gericht is op terugkeer van afgewezen asielzoekers naar Irak. Voorts achten België en Denemarken volgens het ambtsbericht gedwongen terugkeer naar Irak thans weliswaar niet mogelijk, doch nu uit het ambtsbericht, noch de door de vreemdeling overgelegde stukken is gebleken dat in deze landen aan Iraakse asielzoekers een verblijfsvergunning wordt verleend, is van een met een beleid van categoriale bescherming vergelijkbaar beleid geen sprake. In Duitsland is daarvan evenmin sprake, aangezien een "Duldung" geen verblijfsvergunning is. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen leveren de voorgedragen beroepsgronden geen grond op voor het oordeel dat de minister zich mede in het licht van het in andere EU-landen terzake gevoerde beleid niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de algehele situatie in Centraal-Irak niet zodanig is, dat een beleid van categoriale bescherming dient te worden gevoerd. Een soortgelijke uitspraak heeft de Afdeling gedaan op 3 juli 2006 onder nummer 200602864/1.
Advocaten
- H.B. Boogaart
- M.M. van Asperen
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
