ECLI:NL:RVS:2004:AO8885
Raad van State · 06-05-2004 · zaaknummer 200306384/1
Inhoudsindicatie
Nu zonder vergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de VHB een ligplaats is ingenomen en het college die vergunning terecht heeft geweigerd, was het college bevoegd om handhavend op te treden. Uit het voorgaande volgt dat geen zicht bestaat op legalisatie van het innemen van een ligplaats door het vaartuig. Ook anderszins is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die aan handhaving in de weg stonden. Gelet hierop moet worden geconcludeerd dat het college de aanzegging van bestuursdwang terecht heeft gehandhaafd. De voorzieningenrechter is tot dezelfde slotsom gekomen.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
