ECLI:NL:RVS:2004:AO7128
Raad van State · 31-03-2004 · zaaknummer 200400633/1
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 24 november 2003, kenmerk 2003-25690, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 166.000,00 per maand dat de inrichting als bedoeld in categorie 28.1, onder c, en categorie 28.4, onder a, sub 3, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Ivb) niet is beëindigd. Verweerder heeft aan het bestreden besluit eveneens de overtreding van artikel 13 Wet bodembescherming ten grondslag gelegd. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 996.000,00.
Rechters
Advocaten
- A.J.P. Schram
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland
verweerder · overheid
Overheidspartijen
het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
