Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RVS:2002:AE6221

Raad van State · 07-08-2002 · zaaknummer 200103513/1

Bestuursrecht; OmgevingsrechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Eis ten aanzien van de mestafzet in bestemmingsplanvoorschrift in casu ruimtelijk relevant. Weigering vergunning voor de bouw van vijf pluimveestallen en een bijgebouw. Het hoger beroep van appellante betreft de grief dat de rechtbank heeft miskend dat B&W het bouwplan ten onrechte aan de beschrijving in hoofdlijnen vervat in art. 6b van de planvoorschriften hebben getoetst, omdat dit artikel geen planologische, maar uitsluitend milieubeschermende criteria bevat, hetgeen appellante in strijd acht met art. 10 WRO. Ingevolge de in art. 6b van de planvoorschriften opgenomen beschrijving in hoofdlijnen is een nieuwe niet-grondgebonden veehouderij in principe als neventak van een grondgebonden bedrijf toegestaan als de mestafzet uitsluitend plaatsvindt op de akkerbouwgronden of weilanden ter plaatse en evenredig naar landbouwkundige behoefte en/of milieuwettelijke criteria verdeeld wordt over die gronden. De ABRS acht die grief ongegrond. In de beschrijving in hoofdlijnen wordt de eis van ondergeschiktheid van nieuwe niet-grondgebonden veehouderij bij een grondgebonden bedrijf zoals gesteld in art.1.7 planvoorschriften gepreciseerd aan de hand van criteria die ook het milieu beogen te beschermen. Dergelijke criteria mogen in bestemmingsplanvoorschriften worden opgenomen, mits die voorschriften ook ruimtelijk relevant zijn. In het bestemmingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen grondgebonden en niet-grondgebonden agrarische bedrijven. Uit de plantoelichting blijkt dat dit onderscheid is gebaseerd op de overweging van bescherming van de landschappelijke kwaliteit van het plangebied. De ABRS is met de rechtbank van oordeel dat het stellen van een eis met betrekking tot de mestafzet ruimtelijk relevant is. De omstandigheid dat als gevolg van de beperkte mogelijkheid tot mestafzet het aantal kuikens dat ter plaatse kan worden gehouden eveneens beperkt is, leidt voorts niet tot het oordeel dat daarmee eisen worden gesteld met betrekking tot de structuur van agrarische bedrijven als bedoeld in art. 10.1 WRO. B&W hebben het bouwplan terecht aan art. 6b getoetst. Hoger beroep ongegrond. Het college van burgemeester en wethouders van Middelharnis. mrs. P. van Dijk, J.A.M. van Angeren, D.A.C. Slump Wet op de Ruimtelijke Ordening 10 Bestemmingsplan “Landelijk gebied Middelharnis-Sommelsdijk na 4e herziening” van de gemeente Middelharnis

Advocaten

Partijen

  • [appellante]

    appellante · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.