ECLI:NL:RVS:2002:AE5973
Raad van State · 31-07-2002 · zaaknummer 200105910/1
Inhoudsindicatie
Beleid van de raad om alleen bij aangewezen stichting aangesloten rechtsbijstand-verleners voor toevoeging in aanmerking te laten komen, is niet in strijd met Wet op de rechtsbijstand. Afwijzing aanvraag om toevoeging. De aanvraag heeft betrekking op door een rechtsbijstandverlener van de Stichting Rechtsbijstand Friesland (SRF) te verlenen rechtsbijstand in een asielprocedure. De betrokken rechtsbijstandverlener is niet door de raad ingeschreven om rechtsbijstand aan asielzoekers te verlenen. Appellant kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat art. 7 Wet op de rechtsbijstand (Wrb) niet voorziet in een uitsluiting a priori van bepaalde categorieën rechtsbijstandverleners van de rechtsbijstand in asielzaken. Uit art. 7 Wrb vloeit immers voort dat de raad de bevoegdheid toekomt beleid te voeren bij de besteding van ter beschikking gestelde middelen ten behoeve van de verlening van rechtsbijstand, welke beleidsvrijheid hij heeft ingevuld door middel van het jaarplan/de jaarplannen. Voor dit oordeel kan steun worden gevonden in de wetsgeschiedenis waaruit blijkt dat er in de Wrb voor is gekozen het hele beleid ten aanzien van de gefinancierde rechtsbijstand bij de raad onder te brengen, die zijn beleid in een jaarplan vastlegt. Het door de raad op dit punt gevoerde beleid houdt in dat de raad geen toevoegingen ten behoeve van rechtsbijstand aan asielzoekers verstrekt aan medewerkers van de SRF, doch dat uitsluitend rechtshulpverleners, die een overeenkomst met de Stichting Rechtsbijstand Asiel Noord en Oost Nederland hebben gesloten, voor een zodanige toevoeging in aanmerking komen, tenzij sprake is van bijzondere gevallen. Uit de artt. 13, 19 en 22 blijkt niet van een onvoorwaardelijk recht op toevoeging in asielzaken. Uit deze artikelen vloeit niet voort dat - een medewerker van - een stichting rechtsbijstand op elk rechtsgebied in aanmerking dient te komen voor het verlenen van rechtsbijstand op basis van een toevoeging. De raad heeft in redelijkheid tot het vaststellen van de beleidsregel kunnen komen. Hoger beroep ongegrond. De raad voor rechtsbijstand te Leeuwarden. mrs. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, H.G. Lubberdink, A.W.M. Bijloos
Advocaten
- A.B. van Rijn
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
