ECLI:NL:RVS:2002:AE5723
Raad van State · 24-07-2002 · zaaknummer 200101500/1
Inhoudsindicatie
Onwetendheid ten aanzien van uiterste indieningsdatum voor aanvraag biedt geen grond voor toepassing hardheidsclausule ex art. 8 Wts. Het oordeel van de rechtbank dat appellant had moeten nagaan of de niet-ontvankelijkverklaring zal leiden tot een (financiële) onbillijkheid van overwegende aard is alleen juist indien sprake is van een door de regelgever niet voorzien geval. Niet-ontvankelijkverklaring schademelding als bedoeld in Regeling tegemoetkoming schade bij tweede extreem zware regenval 1998 (Rts), wegens termijnoverschrijding. Toepassing hardheidsclausule. De Afdeling begrijpt de uitspraak van de rechtbank aldus, dat toepassing van de in art. 8 Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen (Wts) neergelegde hardheidsclausule mede in ogenschouw behoort te worden genomen in geval van overschrijding van de meldingstermijn. Blijkens de MvT voorziet art. 7 van het wetsvoorstel, het huidige art. 8 Wts, in een hardheidsclausule omdat niet uitgesloten kan worden dat deze regeling, gelet op haar aard, in te voren niet precies te voorziene gevallen kan leiden tot onbillijkheden van overwegende aard. Het doel van een dergelijke clausule, aldus de toelichting, is te voorkomen dat een gedupeerde tussen wal en schip valt dan wel in ernstige financiële problemen geraakt als gevolg van een ramp of zwaar ongeval omdat hij geen beroep kan doen op andere voorzieningen. Het beroep op onwetendheid ten aanzien van het bestaan van de in art. 7.1 Rts neergelegde uiterste indieningsdatum voor een aanvraag biedt geen grond voor toepassing van de hardheidsclausule omdat aan de Rts voldoende bekendheid is gegeven nu de Rts i.onder meer de Bekendmakingswet is geplaatst in de Staatscourant en overigens vermeld is in diverse vakbladen. Het oordeel van de rechtbank dat appellant had moeten nagaan of de niet-ontvankelijk-verklaring zal leiden tot een (financiële) onbillijkheid van overwegende aard is alleen juist indien sprake is van een door de regelgever niet voorzien geval. Die situatie doet zich voor als het tijdig indienen van het schademeldingsformulier achterwege is gebleven omdat de schade vóór de meldingsdatum niet was voorzien. Uit de Wts noch de Rts volgt dat betrokkene zekerheidshalve uiterlijk 15 januari 1999 een schademeldingformulier had moeten indienen voor het geval eerst na die datum schade zou worden vastgesteld. Ook uit het schademeldingformulier blijkt dit niet, terwijl evenmin aannemelijk is geworden dat dit punt in de voorlichting van het ministerie voldoende duidelijk naar voren is gebracht. Betrokkene heeft betoogd dat ondanks de extreme regenval van 27 en 28 oktober 1998 geen water op zijn perceel heeft gestaan doordat het overtollige water snel kon worden afgevoerd. Vóór 15 januari 1999 heeft hij geen schade gemeld, omdat hij toen nog niet kon voorzien dat hij schade had. Nadien heeft hij toch, zekerheidshalve, melding gemaakt van mogelijke schade. Gelet op het voorgaande heeft appellant niet, althans onvoldoende, gemotiveerd waarom hij in dit geval de hardheidsclausule, vervat in art. 8 van de Wts, niet heeft toegepast. De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, appellant mrs. W. van den Brink, J.E.M. Polak, D.A.C. Slump Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen 8 Regeling tegemoetkoming schade bij tweede extreem zware regenval 1998
Advocaten
- C.G.P. Goudriaan
- G.P.M. den Biggelaar
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
