ECLI:NL:RVS:2002:AE3941
Raad van State · 01-05-2002 · zaaknummer 2001102828/1
Inhoudsindicatie
Van majeure problematiek is sprake, indien eventuele frictiekosten het zorgbudget belasten. Tussen de VNG en de Landelijke Vereniging voor Thuiszorg in een convenant gesloten inzake indicatiestelling op het terrein van de thuiszorg. Aanleiding was de overheveling per 1-1-1998 van de awbz-indicatiestellingen thuiszorg naar de regionale indicatieorganen. In het convenant is opgenomen, dat, onverlet het uitgangspunt frictiekosten te voorkomen, niet kan worden uitgesloten dat aan het eind van het overhevelingstraject frictiekosten zullen resteren. Om te voorkomen dat deze kosten het zorgbudget belasten, zullen deze gevallen aan de staatssecretaris worden voorgelegd teneinde een oplossing te vinden. Bij brief van 10 september 1997 heeft de staatssecretaris zich - zoals ook in het advies van de VWS-commissie bezwaarschriften is aangegeven - in de context van het convenant en de overhevelingsoperatie bereid verklaard om in die gevallen, waarin frictiekosten absoluut niet te vermijden zijn en dat gegeven ook in een “second opinion” wordt bevestigd, aan een oplossing bij te dragen. De in de brief van 16 maart 1999 neergelegde beleidsregel en het bijbehorende toetsingskader is een nadere uitwerking van deze toezegging en dient dan ook in dit licht te worden bezien. Dit betekent dat het in de beleidsregel geïntroduceerde criterium dat sprake moet zijn van majeure problematiek in verband met de overheveling die aantoonbaar negatieve gevolgen heeft voor het zorgbudget, in dit geval dat deel van het totale budget dat rechtstreeks ten goede komt aan de te verlenen zorg, aldus dient te worden geïnterpreteerd dat van majeure problematiek sprake is, indien eventuele frictiekosten het zorgbudget belasten. Uitgaande van deze uitleg kan - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - niet worden staande gehouden dat de staatssecretaris, in aanmerking genomen de belangen die aan hem ttv de totstandkoming van de beleidsregel bekend waren of behoorden te zijn, in redelijkheid niet tot het opnemen van het criterium, dat sprake moet zijn van majeure problematiek, heeft kunnen komen. De rechtbank heeft dit miskend. Naar uit de stukken blijkt, legt de staatssecretaris het hiervoor bedoelde criterium bij de toepassing van zijn beleid aldus uit, dat daaraan slechts is voldaan, indien evt. frictiekosten aantoonbaar negatieve gevolgen hebben voor de te verlenen zorg. Deze uitleg is - gelet op hetgeen hiervoor is overwogen - onjuist en door deze uitleg mede ten grondslag te leggen aan de afwijzing van het verzoek van de stichting om haar een financiële tegemoetkoming te verstrekking in de zogenoemde frictiekosten heeft appellant niet gehandeld overeenkomstig de door hem vastgestelde beleidsregel. Strijd met art. 4:84 Awb. Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, appellant; Stichting “Stichting regionale thuiszorg” mr. J.H.B. van der meer, J.AM. van Angeren, P.J.J. van Buuren
Advocaten
- O.H. Minjon
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
