ECLI:NL:RVS:2001:AD5932
Raad van State · 31-10-2001 · zaaknummer 200100649/1
Inhoudsindicatie
Art. 4.2.b Wet arbeid vreemdelingen brengt geen verandering in de verblijfsrechtelijke titel van een vreemdeling. Afwijzing naturalisatieverzoek op de grond dat aan betrokkene verblijf in Nederland van tijdelijke aard is toegestaan en om die reden tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland bedenkingen bestaan. De Staatssecretaris heeft terecht dit standpunt ingenomen. Niet in geschil is dat aan betrokkene op 6 oktober 1993 een vergunning tot verblijf is verleend voor het verrichten van arbeid in loondienst als godsdienstleraar tot 12 juli 1994, laatstelijk verlengd tot 13 november 2000. De vergunning van 1993 geeft als zodanig geen zicht op een verblijf voor onbepaalde tijd. Voorts staat vast dat door betrokkene op 6 oktober 1993 een bewustverklaring is getekend, waaruit blijkt dat hij ermee bekend is dat hem uitsluitend voor zijn hiervoor genoemde werkzaamheden verblijf wordt toegestaan, hij na beëindiging van die werkzaamheden Nederland dient te verlaten en hij tijdens zijn verblijf geen werkzaamheden van andere aard mag verrichten. Niet is gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat van voormeld uitgangspunt had moeten worden afgeweken. Het enkele feit dat betrokkene later in het bezit is gekomen van een vergunning tot verblijf met daarop de aantekening dat arbeid vrij is toegestaan en hiervoor geen tewerkstellingsvergunning is vereist, betekent niet dat vanaf dat moment de vergunning niet langer een tijdelijk karakter had. De rechtbank heeft in dit verband ten onrechte overwogen dat, mede gelet op de omstandigheid dat betrokkene aan art. 4.2.b Wet arbeid vreemdelingen het recht ontleent op een aantekening als voormeld, tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland uit een oogpunt van openbare rust en openbare orde geen bedenkingen bestaan. Art. 4.2.b brengt geen verandering in de verblijfsrechtelijke titel van een vreemdeling. Ook strekt die bepaling er niet toe dat de Staatssecretaris zich, in strijd met het uitgangspunt dat ook het hebben van een vergunning tot verblijf voor slechts een tijdelijk doel niet voldoende is om te concluderen dat geen bedenkingen bestaan, op het standpunt had moeten stellen dat art. 8.1.b Rijkswet niet aan verlening van het Nederlanderschap in de weg staat. Vernietigt uitspraak rechtbank 's-Gravenhage van 2 januari 2001 inzake no. AWB 00/6251 RWNL, ECLI:NL:RBSGR:2001:AB0629. De Staatssecretaris van Justitie, appellant. mrs. P. van Dijk, F.P. Zwart, E.M.H. Hirsch Ballin
Advocaten
- G.M.H. Hoogvliet
- H.K. Jap-a-Joe
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
