Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RVS:2001:AB1450

Raad van State · 17-04-2001 · zaaknummer 200001139/1.

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

1. Richtlijn dat in geval van vrijheidsbeneming de vier jaren-termijn aanvangt bij de (vervroegde) invrijheidsstelling, in het algemeen niet onaanvaardbaar. 2. Van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan van Handleiding moet worden afgeweken kan ook worden gesproken indien periode tussen plegen strafbaar feit en aanvang vrijheidsstraf als bijzonder lang moet worden aangemerkt. Afwijzing naturalisatieverzoek. Openbare orde. Bij op 20 september 1993 onherroepelijk geworden arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 6 januari 1993 is betrokkene veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar onvoorwaardelijk wegens het opzettelijk handelen in strijd met art. 2.1.a.C Opiumwet. De feiten zijn in maart 1991 gepleegd en, naar moet worden aangenomen, is toen eveneens de vervolging aangevangen. Van 4 september 1995 tot 26 januari 1996 is de vrijheidsstraf ten uitvoer gelegd. De in de Handleiding neergelegde richtlijn, inhoudend dat de vier jaren-termijn begint te lopen vanaf de onherroepelijke veroordeling, is eerder in het algemeen niet onaanvaardbaar geacht (uitspraak van 8 juli 1996 inzake no. H01.95.0441, ECLI:NL:RVS:1996:AB1446. Hetzelfde oordeel is de ABRS thans toegedaan ten aanzien van de richtlijn, inhoudend dat in geval van een vrijheidsbeneming de vier jaren-termijn aanvangt bij de (vervroegde) invrijheidstelling. In casu is sprake van een strafrechtelijke veroordeling in de zin van de Handleiding en zijn tussen het tijdstip van de vervroegde invrijheidsstelling op 26 januari 1996 en de beslissing op bezwaar van 28 augustus 1998 geen vier jaar verstreken. Bij onverkorte toepassing van de Handleiding heeft de Staatssecretaris dus mogen aannemen dat ernstige vermoedens bestaan dat betrokkene gevaar oplevert voor de openbare orde ex art. 9.1.a Rijkswet. Uit genoemde uitspraak van 8 juli 1996 volgt dat rekening dient te worden gehouden met die omstandigheden van een zich voordoend geval, op grond waarvan slechts tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen indien van de Handleiding wordt afgeweken. Zoals eerder overwogen in de uitspraak van 2 februari 1998 inzake no. H01.97.0004, ECLI:NL:RVS:1998:AB1445, kan van een dergelijke omstandigheid bijvoorbeeld worden gesproken indien de periode tussen het (laatstelijk) gepleegde strafbare feit en de onherroepelijke veroordeling als bijzonder lang moet worden aangemerkt. Daaraan voegt de ABRS thans toe dat van een dergelijke omstandigheid ook kan worden gesproken indien de periode tussen het plegen van het strafbare feit en de aanvang van de vrijheidsstraf als bijzonder lang moet worden aangemerkt. In casu heeft de Staatssecretaris de duur van deze periode (viereneenhalf jaar), niet als zodanig lang moeten aanmerken dat afwijking nodig was om tot een juiste wetstoepassing te komen. Zij heeft daarbij in aanmerking genomen dat betrokkene ervoor heeft gekozen uitstel van de tenuitvoerlegging van zijn straf te vragen. Met het belang dat de rechtbank heeft gehecht aan de duur van de periode tussen de pleegdatum en de beslissing op bezwaar, heeft zij het vorenstaande miskend. Gegrond hoger beroep. De Staatssecretaris van Justitie, appellant. mrs. J.A.E. van der Does, F.P. Zwart, E.A. Alkema Rijkswet op het Nederlanderschap 9.1.a Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap augustus 1994

Advocaten

  • M.J.W. Melchers
  • M.M. van Asperen

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.