Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RVS:2000:AA8958

Raad van State · 23-11-2000 · zaaknummer 200000977/1

BestuursrechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Staatssecretaris is ingevolge art. 11/Vogelwet bevoegd om beleid te voeren bij de beoordeling van vergunningaanvragen. Art. 27.1 Vogelwet brengt niet met zich dat dit beleid in een algemene maatregel van bestuur moet zijn vervat. Afwijzing verzoek om vergunning voor uitoefening valkerij op de grond dat het verlenen van de vergunning niet strookt met het gevoerde beleid dat erop is gericht het aantal vergunninghouders niet verder uit te breiden dan tot maximaal 121, ten einde een druk op de in het wilde levende populaties haviken en slechtvalken te voorkomen. Het ongelimiteerd verlenen van vergunningen zou volgens de Staatssecretaris met zich brengen dat de vraag naar jachtvogels aanmerkelijk gaat stijgen, niet alleen doordat er meer valkeniers zijn die vogels nodig hebben, maar ook doordat jachtvogels bij de uitoefening van de jacht verdwijnen of verongelukken. Anders dan appellant, oordeelt de ABRS dat de Staatssecretaris ex art. 11 Vogelwet de bevoegdheid heeft om beleid te voeren bij de beoordeling van vergunningaanvragen. Het bepaalde onder art. 27.1 Vogelwet brengt niet met zich dat de Staatssecretaris deze bevoegdheid niet heeft, indien zijn beleid niet is vervat in een algemene maatregel van bestuur. Ook uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever deze restrictie heeft beoogd. Het betoog van appellant, dat de Staatssecretaris bij zijn beleidsvoering onderscheid had moeten maken tussen haviken en slechtvalken, slaagt evenmin. Weliswaar broedt de slechtvalk, in tegenstelling tot de havik, slechts sporadisch in Nederland in het wild, dit betekent echter niet dat de Staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het door hem gevoerde beleid nodig is om een doeltreffende bescherming van deze bedreigde vogelsoort te garanderen. Ook het betoog dat de Staatssecretaris, door op grote schaal vergunningen te verlenen voor het houden van gekweekte slechtvalken, handelt in strijd met het gevoerde beleid, kan niet als juist worden aanvaard. Aannemelijk is dat de houders van deze vergunningen niet met de slechtvalken het veld in plegen te gaan, zodat de belangstelling voor de jacht en daarmee het risico op het weghalen van jongen en eieren uit de natuur, door het verlenen van deze vergunningen niet, althans niet in betekenende mate, wordt vergroot. Voor zover appellant heeft betoogd dat de president heeft miskend dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel aan onderdanen van andere lid-staten, buiten het gevoerde beleid om, valkerijvergunningen worden verleend, louter op de grond dat deze onderdanen door het EG-Verdrag verzekerde rechten en vrijheden genieten, wordt overwogen dat voor dit verschil in behandeling een objectieve en redelijke grond bestaat, gelegen in de omstandigheid dat de buitenlandse valkeniers gebruik maken van hun eigen, in het buitenland gehouden, jachtvogels, zodat hun invloed op de vogelstand in Nederland, voor zover daarvan kan worden gesproken, van geheel andere aard is. Ongegrond hoger beroep. De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. mrs. P. van Dijk, R.W.L. Loeb, F.P. Zwart

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.