ECLI:NL:RBZWO:2003:AF4427
Rechtbank Zwolle · 11-02-2003 · zaaknummer 07/430253-02 en 07/430251-02
Inhoudsindicatie
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich vrijwel vanaf het begin heeft beroepen op het hem toekomende zwijgrecht en dat de informanten kennelijk werden ingezet met geen andere opdracht dan zoveel mogelijk informatie over de feitelijke toedracht op die bewuste avond in zijn woning los te krijgen. In dit licht bezien kan niet anders geoordeeld worden dan dat de verklaringen van verdachte niet spontaan zijn afgelegd maar - deels en zeker op cruciale punten - het resultaat zijn van vragen aan verdachte zoals deze door de informanten zijn gesteld, hetgeen ook blijkt uit de inhoud van de processen-verbaal. De rechtbank is daarom van oordeel dat hier sprake is van een met een verhoor gelijk te stellen situatie, terwijl geen juridische waarborgen behorend bij een normale verhoorsituatie in acht zijn genomen. De rechtbank concludeert dat er in casu een inbreuk is gemaakt op het nemo tenetur-beginsel en dat het bepaalde in artikel 6 EVRM is geschonden. Het uit de inzet van de informanten voorvloeiende bewijs zal derhalve worden uitgesloten.
Advocaten
- H.J. Voors
- M.W. van der Borg
Officier van justitie
- M.W. van der Borg
officier van justitie
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
