ECLI:NL:RBZWO:2001:AC0558
Rechtbank Zwolle · 20-06-2001 · zaaknummer AWB 00/8726 WAO
Inhoudsindicatie
Intrekking WAO-uitkering o.g.v. art. 43.5 WAO niet in strijd met Eerste Protocol bij EVRM en evenmin met artt. 6 en 14 EVRM. Verweerder heeft m.i.v. 15 juni 2000 eisers WAO-uitkering onder toepassing van art. 43.5 WAO ingetrokken. Rechtbank: Het Eerste Protocol bij het EVRM behelst een verbod op ontneming van eigendom. In de lijn van jurisprudentie van het EHRM (Gaygusuz tegen Oostenrijk, JB 1997/20), alsmede van de Centrale Raad van Beroep (RSV 2000/78), is de rechtbank - evenals partijen - van oordeel dat eisers WAO-uitkering een recht vormt dat onder voornoemd eigendomsbegrip valt. Derhalve is er in het onderhavige geval sprake van eigendomsontneming. Een dergelijke inbreuk op het recht op eigendom is echter geoorloofd indien een evenwichtige afweging wordt bewerkstelligd tussen de gemeenschapsbelangen en de vereisten die voortvloeien uit het ingeroepen fundamentele recht en er tevens een redelijke proportionaliteitsrelatie bestaat tussen de gekozen middelen en het beoogde doel, een en ander onder erkenning van een ruime beoordelingsmarge die de Staat heeft bij de beoordeling van die criteria. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval aan deze criteria is voldaan. Daarbij is in acht genomen dat met de Wsg is beoogd te voorkomen dat degene die rechtens zijn vrijheid is ontnomen een uit collectieve middelen gefinancierde uitkering kan blijven ontvangen, terwijl de Staat daarnaast in de kosten van het levensonderhoud voorziet. Tevens is bedoeld een einde te maken aan de ongelijke positie tussen gedetineerden, die hun uitkering tijdens vrijheidsontneming kunnen behouden, en degenen die voor hun detentie in loondienst werkten, die bij hun vrijheidsontneming hun inkomen verliezen. Voorts wordt in de Wsg een overgangsperiode van één maand gehanteerd en wordt het recht op een uitkering heropend vanaf de dag dat de gedetineerde in vrijheid wordt gesteld. Het voorgaande leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat de door verweerder gemaakte inbreuk op het eigendomsrecht in gevallen als het onderhavige in beginsel gerechtvaardigd is. Er is in het geval van eiser niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan tot een ander oordeel moet worden gekomen. Dat eiser (mede) door de intrekking van zijn uitkering, niet meer in staat was zijn huur te betalen en de huur van die woning is opgezegd, is in zekere zin een onvermijdelijk gevolg van het aanzienlijke inkomensverlies als gevolg van de (tijdelijke) intrekking van de uitkering. Eiser is bij brief van 19 april 2000 op de hoogte gebracht van de intrekking van zijn uitkering per 1 juni 2000 zodat hij tijd heeft gehad om zich te bezinnen op zijn financiële situatie en bijvoorbeeld met betrekking tot zijn inventaris maatregelen had kunnen treffen. Overigens blijkt uit dezelfde brief dat eiser te maken had met financiële problemen, welke geheel los stonden van de intrekking van zijn WAO-uitkering. Gelet op het voorgaande is er in casu geen sprake van de namens eiser gestelde schending van de artt 6 en 14 EVRM. Beroep ongegrond. Lisv, verweerder. mr. J.H.M. Hesseling
Rechters
Advocaten
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
