ECLI:NL:RBZWB:2024:4722
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 11-07-2024 · zaaknummer BRE 22/3898 tot en met 22/3904, BRE 22/3906, BRE 22/3914, BRE 22/4048 en BRE 22/4049
Inhoudsindicatie
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, maar verbindt hier in dit geval geen consequenties aan. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de inspecteur de (navorderings)aanslagen over de jaren 2013 tot en met 2017 terecht en niet tot te hoge bedragen aan belanghebbende heeft opgelegd. Omdat belanghebbende de vereiste aangiften niet heeft gedaan, is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast. De (navorderings)aanslagen berusten op een redelijke schatting en belanghebbende heeft het op hem rustende verzwaarde tegenbewijs niet geleverd. De rechtbank ziet wel aanleiding de aan belanghebbende opgelegde boetes te matigen, gelet op de omstandigheid dat geen sprake is van recidive en dat de boetegrondslag is komen vast te staan met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast, en gelet op de duur van de procedure. Bovendien heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[belanghebbende]
belanghebbende · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
