ECLI:NL:RBZWB:2020:1400
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 05-03-2020 · zaaknummer AWB - 16 _ 1170 tot en met 16_1174
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting; Eisen behoorlijke rechtspleging; Pleitbaar standpunt vergrijpboete; Aanhouden verzoek immateriëleschadevergoeding. De inspecteur meent dat diverse transacties van belanghebbende (in-en verkoop van exclusieve auto’s) onderdeel waren van een btw-fraudeketen en legt onder meer daarvoor naheffingsaanslagen OB met vergrijpboetes op. De rechtbank verbindt geen zelfstandige gevolgen aan de rommelige wijze van procederen. Waar het echter de wijze van verwijzen naar stukken betreft, komt dit in voorkomende gevallen wel voor risico van de inspecteur. De rechtbank ziet het namelijk niet als haar taak om zelf onderzoek te doen (i) of nog andere, dan de gestelde, feiten uit de ingebrachte stukken blijken, (ii) om niet-gestelde feiten of gevolgtrekkingen te reconstrueren uit het geheel van ingebrachte stukken, of (iii) om bewijs voor (wel) gestelde maar betwiste feiten te gaan zoeken in het procesdossier indien een voldoende concrete verwijzing door de inspecteur naar een stuk ontbreekt. De rechtbank acht de inspecteur met wat hij heeft gesteld en met de stukken waarnaar hij wel heeft verwezen, voor het merendeel van de transacties niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat belanghebbende ‘had moeten weten’ dat zij deelnam aan een transactie die onderdeel was van een btw-fraude. Bij de gevallen waarin de inspecteur wel aan de bewijslast heeft voldaan voor de belastingheffing, wordt de vergrijpboete vernietigd, omdat sprake is van een pleitbaar standpunt. Bij een vergrijpboete als hier gaat het er niet om of belanghebbende wist of had moeten weten van de btw-fraude. Het verwijt dat aan belanghebbende wordt gemaakt is het in aftrek brengen van voorbelasting hoewel belanghebbende wist of had moeten weten van btw-fraude in de keten. Die gedraging was echter ten tijde van het doen van de aangiften nog pleitbaar, gelet op de prejudiciële vragen van de Hoge Raad aan het Hof van Justitie die hebben geleid tot het zogenoemde Italmoda-arrest. Op het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt pas beslist nadat de Minister voor Rechtsbescherming verweer heeft kunnen voeren, omdat het verzoek mogelijk kan leiden tot veroordeling van de Minister tot betaling van een hoger bedrag aan schadevergoeding dan € 5.000.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[belanghebbende]
belanghebbende · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
