Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBZWB:2019:1893

Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 19-04-2019 · zaaknummer C/02/357645 / KG ZA 19-214

Civiel rechtGepubliceerd 25-04-2019
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Het stakingsrecht als uiteengezet in de arresten van de Hoge Raad van 31 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3077, FNV c.s./Enerco) en 19 juni 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1687, Amsta/FNV) kan - voor zover in dit geding van belang - als volgt worden samengevat en omschreven. Met artikel 6, aanhef en onder 4, ESH erkennen de lidstaten, waaronder Nederland, het recht van werknemers en werkgevers op collectief optreden in gevallen van belangengeschillen, met inbegrip van het stakingsrecht, behoudens verplichtingen uit hoofde van reeds eerder gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten. Dit recht strekt tot het waarborgen van de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen. Een werknemers¬organisatie is in beginsel vrij in de keuze van middelen om haar onderhandelingsdoel te bereiken. Of sprake is van een collectieve actie in de zin van dit artikel wordt vooral bepaald door het antwoord op de vraag of de actie redelijkerwijs kan bijdragen tot de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen. Indien de organisatoren van een collectieve actie aannemelijk maken dat dit het geval is, valt de actie onder het bereik van artikel 6, aanhef en onder 4, ESH en moet deze in beginsel worden aangemerkt als een rechtmatige uitoefening van het sociale grondrecht op collectieve actie. Het ligt dan op de weg van degene die eist dat de uitoefening van het recht op collectieve actie in het concrete geval wordt beperkt of uitgesloten, om aannemelijk te maken dat deze beperking of uitsluiting gerechtvaardigd is. Dit laatste is gelet op artikel G ESH slechts het geval indien dit gelet op zwaarwegende belangen van de maatschappij noodzakelijk is. Die belangen kunnen liggen op het terrein van bescherming van rechten en vrijheden van anderen, van bescherming van de openbare orde, van de nationale veiligheid, van de volksgezondheid of de goede zeden. Bij de beantwoording van de vraag of ingrijpen noodzakelijk is, dient de rechter alle feiten en omstandigheden van het voorliggende geval mee te wegen. Bij die weging kunnen onder meer van belang zijn de aard en de duur van de actie, de verhouding tussen de actie en het daarmee nagestreefde doel, de daardoor veroorzaakte schade aan de belangen van de werkgever of derden en de aard van die belangen en die schade. Onderdeel van deze weging is ook of de in de rechtspraak aanvaarde processuele spelregels voor de uitoefening van het recht op collectief optreden zijn nageleefd. De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat er op dit moment geen sprake is van feiten en omstandigheden die maken dat ingrijpen of beperken van de door de bonden aangekondigde actie maatschappelijk noodzakelijk is. Het ontbreekt aan voldoende zwaarwegende feiten en omstandigheden en niet kan worden geoordeeld dat de actie niet aan de eisen van proportionaliteit en het zijn van ‘ultimum-remedium’ voldoet.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.