ECLI:NL:RBZWB:2019:1425
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 26-03-2019 · zaaknummer BRE - 17 _ 6874
Inhoudsindicatie
Bpm – Onderdeel 3.4 van Bijlage I van de Uitvoeringsregeling Bpm Belanghebbende heeft gesteld dat de eis voor de bepaling van de handelsinkoopwaarde in de situatie waarin referentiemotorrijtuigen niet identiek zijn aan de auto, van het gemiddelde van 3 tot 5 referentiemotorrijtuigen moet worden uitgegaan, in strijd is met het Unierecht. Alsdan moet volgens belanghebbende worden uitgegaan van de laagst denkbare (handelsinkoop)waarde en niet van een gemiddelde waarde. De rechtbank volgt belanghebbende niet in haar stelling en is van oordeel dat nu er geen identiek referentievoertuig is, de gemiddelde waarde van drie referentievoertuigen een redelijke benadering is van de laagste waarde van een vergelijkbare auto. Derhalve is geen sprake van strijdigheid met het Unierecht.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[belanghebbende]
belanghebbende · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
