Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBZWB:2018:7300

Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 12-10-2018 · zaaknummer AWB - 16 _ 1202

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 25-02-2019
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

BRE 16/1202 en BRE 16/1203 Naheffingsaanslagen omzetbelasting, omvang fiscale eenheid, integratieheffing, tenaamstelling naheffingsaanslagen; art. 7, vierde lid, Wet OB en (het inmiddels vervallen) artikel 3, derde lid, onderdeel b, Wet OB. Belanghebbende is bij beschikking aangemerkt als fiscale eenheid omzetbelasting, bestaande uit A BV en B BV. Een echtpaar (hierna: het echtpaar) houdt samen (middellijk) 100% van de aandelen in A BV en B BV en elk van de echtelieden is ook bestuurder van A BV. Tot hun huwelijksgoederengemeenschap behoort een onroerendgoedcomplex dat zij (deels) verhuurt aan B BV en een zorgstichting (hierna: de zorgstichting). Het echtpaar vormt voor de btw-heffing een samenwerkingsverband dat als ondernemer kwalificeert (hierna: het samenwerkingsverband). Het samenwerkingsverband heeft een hotel laten realiseren en heeft dit hotel met btw geleverd aan belanghebbende. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende deze btw ten onrechte volledig in aftrek gebracht, omdat zij het hotel mede voor btw-vrijgestelde doeleinden gebruikt. De inspecteur heeft daarom naheffingsaanslagen met verzuimboeten opgelegd. De verzuimboeten zijn ter zitting komen te vervallen. Allereerst is de omvang van de fiscale eenheid in geschil; meer specifiek of het samenwerkingsverband en/of de zorgstichting daartoe behoren. De rechtbank volgt belanghebbende in haar standpunt dat zij en het samenwerkingsverband in de naheffingstijdvakken een fiscale eenheid vormden. Voor de financiële verwevenheid acht de rechtbank van belang dat de aandelen A BV tot één gemeenschap behoren en dus (on)middellijk in dezelfde handen zijn. Wat de economische verwevenheid betreft is sprake van niet-verwaarloosbare economische betrekkingen (ECLI:NL:HR:2013:837). De rechtbank verwerpt belanghebbendes stelling dat ook de zorgstichting tot de fiscale eenheid behoort reeds omdat geen sprake is van financiële verwevenheid. Nu het samenwerkingsverband tot de fiscale eenheid behoort, heeft de realisatie en ingebruikname van het zorghotel binnen de fiscale eenheid plaatsgevonden. De rechtbank concludeert dat belanghebbende het hotel mede voor btw-vrijgestelde doeleinden (vrijgestelde verhuur/zorgactiviteiten) in gebruik heeft genomen. De integratieheffing is daarom van toepassing. De rechtbank corrigeert het aftrekbare gedeelte van de integratieheffing in het voordeel van belanghebbende wegens een fout in de berekening van de inspecteur. Belanghebbende maakt niet aannemelijk dat voor een groter gedeelte sprake is van btw-belast gebruik van het hotel en daarmee van aftrekbaarheid van de integratieheffing. De rechtbank verwerpt belanghebbendes stelling dat de integratieheffing niet kan worden geformaliseerd vanwege een onjuiste tenaamstelling van de naheffingsaanslagen. Gelet op het voorgaande vermindert de rechtbank de ene naheffingsaanslag en handhaaft zij de andere; IMS wegens overschrijding redelijke termijn. Beroepen (gedeeltelijk) gegrond.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Partijen

  • [belanghebbende]

    belanghebbende · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.