Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBZWB:2017:7180

Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 25-10-2017 · zaaknummer BRE - 17 _ 493

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 08-11-2017
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Artikel 16, vierde lid, van de AWR. Inkeerder van buitenlands spaartegoed. Begrip ‘opgekomen in het buitenland’. Werkt omkering van de bewijslast door naar de feitenvaststelling voor de bepaling of de verlengde navorderingstermijn van toepassing is? De rechtbank beantwoordt de vraag ontkennend met een discursieve motivering. Belanghebbende beschikte in de jaren 2001 tot en met 2007 buitenlandse bankrekeningen waarvan de tegoeden niet waren aangegeven. Voor de jaren 2001 tot en met 2003 ontbreken bankbescheiden. Uit de bankbescheiden van de buitenlandse bankrekeningen over de jaren 2004 tot en met 2007 blijkt dat belanghebbende contante bedragen heeft gestort. Die bedragen zijn afkomstig uit contant ontvangen omzet die niet is aangegeven. De inspecteur heeft navorderingsaanslagen over de jaren 2001 tot en met 2007 opgelegd waarbij onder meer het belastbaar inkomen in box 1 is gecorrigeerd met de stortingen in de jaren 2004 tot en met 2007 en geschatte stortingen voor de jaren 2001 tot en met 2003 (omzetcorrectie). In geschil is onder meer of, indien de sanctie van de zogenoemde omkering van bewijslast op grond van artikel 27e, eerste lid, van de AWR van toepassing is, deze sanctie ook geldt ter zake van de vaststelling van de feiten en omstandigheden die bepalen of de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR van toepassing is. De rechtbank overweegt dat voor zowel een positief als een negatief antwoord argumenten zijn aan te voeren. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat in de wettekst, de wetssystematiek of de wetsgeschiedenis onvoldoende aanknopingspunten zijn te vinden voor een ruimere werking van de sanctie van de omkering van de bewijslast dan die voor bepaling van de materiële belastingschuld. Op de inspecteur rust daarom de bewijslast aannemelijk te maken dat ter zake van de omzetcorrectie sprake is van door belanghebbende genoten inkomen dat in het buitenland is opgekomen. De inspecteur is voor de jaren 2001 tot en met 2003 niet in deze bewijslast geslaagd. Met betrekking tot de andere jaren oordeelt de rechtbank dat gelet op de niet aangegeven contante omzet en op de frequentie van de stortingen, de betrekkelijk korte periode tussen de stortingen en de omvang van de gestorte bedragen die situatie op één lijn kan worden gesteld met de situatie waarin inkomsten die in Nederland zijn gegenereerd, rechtstreeks door de Nederlandse afnemer naar een buitenlandse bankrekening worden overgemaakt, waardoor deze inkomsten aan het zicht van de Nederlandse fiscus worden onttrokken. In zo’n geval is sprake van in het buitenland opgekomen inkomen ter zake waarvan navordering over de jaren 2004 tot en met 2007 mogelijk is.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Partijen

  • [belanghebbende]

    belanghebbende · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.