ECLI:NL:RBZWB:2014:5548
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 31-07-2014 · zaaknummer AWB 13_4679
Inhoudsindicatie
Artikel 1, onder b, van de Wav verstaat onder werkgever: (1) degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten en (2) de natuurlijke persoon die een ander huishoudelijke of persoonlijke diensten laat verrichten. De rechtbank begrijpt [paragraaf 2.3.4 van de uitspraak van de ABRvS van21 september 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BT2154)] zo dat het hanteren van een ruim werkgeversbegrip gerecht-vaardigd is om schijnconstructies tegen te gaan, maar dat daardoor het zakelijke verkeer niet onevenredig mag worden belemmerd, zeker indien geen aanwijzingen voor het bestaan van een schijnconstructie kunnen worden gevonden. De minister meent dat slechts dan reden is om een ruime uitleg van het werkgeversbegrip te beperken als er sprake is van handel in producten of diensten die met grote frequentie worden afgenomen en in die zin als alledaags zijn te beschouwen. In het verlengde hiervan huldigt de minister de opvatting dat een (rechts)persoon die incidenteel een voor haar bijzonder product koopt of een voor haar bijzondere dienst laat verrichten, moet worden aangemerkt als werkgever in de zin van de Wav, ook als het gaat om een product of dienst dat niets met de kernactiviteiten van de betreffende (rechts)persoon heeft te maken. Naar het oordeel van de rechtbank leidt de redenering van de minister tot een onaanvaardbare rechtsonzekerheid voor (rechts)personen die een voor hen ongebruikelijke transactie verrichten, en daarmee tot een onevenredige belemmering van het economisch verkeer. In de visie van de minister valt op voorhand immers onmogelijk te zeggen of een product (zoals een voorpiek) of een dienst (zoals het verrichten van laswerkzaamheden) is te kwalificeren als “willekeurig” in de door de ABRvS voorgestane zin, gezien de vaagheid van dit criterium. Dit gegeven klemt hier, zeker nu het gaat om een bestraffende sanctie, zijnde een ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op de kwalificatie van eiseres als werkgever in de zin van artikel 1, onder b, van de Wav, niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Om deze reden zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
