Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBZUT:2009:BI2540

Rechtbank Zutphen · 27-04-2009 · zaaknummer 96147 FA RK 08-1554

Civiel recht; Personen- en familierechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Tijdens eerdere gecombineerde mondelinge behandeling in het kader van de echtscheiding en de voorlopige voorzieningen zijn partijen een voorlopige bijdrage van de man van € 500,-- in de kosten van hun kind overeengekomen totdat nadere informatie over de financiële positie van de man bekend zou worden (in verband met dreigend faillissement van zijn onderneming en de mogelijkheid van een doorstart). Over de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw is niets afgesproken. In de beschikking voorlopige voorzieningen is het bedrag voor de dochter opgenomen en de zaak voor het overige aangehouden, in de bodemzaak is de echtscheiding uitgesproken en eveneens als voorlopige bijdrage voor de minderjarige € 500,-- vastgesteld. De echtscheidingsbeschikking is reeds ingeschreven voordat de voortzetting van de mondelinge behandeling plaatsvindt. Inmiddels, maar ná datum inschrijving echtscheiding, is de vrouw met een nieuwe partner gaan samenwonen als ware zij gehuwd. De onderhavige beschikking heeft betrekking op de voorlopige voorziening. De rechtbank overweegt dat de voorlopige voorziening ten aanzien van de minderjarige haar kracht heeft verloren door inschrijving van de echtscheiding. Het verzoek van de vrouw tot verhoging en het verzoek van de man tot nihilstelling zullen in de bodemprocedure aan de orde moeten komen. Ten aanzien van de bijdrage levensonderhoud voor de vrouw wordt artikel 1:160 BW analoog toegepast, nu het weliswaar een voorlopige voorziening betreft, maar de vrouw is gaan samenwonen met een nieuwe partner nadat de echtscheiding is ingeschreven. Artikel 1:160 BW is bedoeld toepassing te vinden op de situatie die zich voordoet nadat het huwelijk is geëindigd. Nu zowel de verplichting van artikel 1:160 BW als die van artikel 822 aanhef en sub e. Rv geacht kan worden haar grondslag te vinden in de onderhoudsverplichting tussen echtgenoten (die voor de periode van het huwelijk met name is vastgelegd in artikel 1:81 BW), bestaat er geen reden onderscheid te maken tussen beide verplichtingen voor de vraag op welk moment deze eindigt. Het verzoek van de vrouw wordt voor de voorafgaande periode afgewezen wegens gebrek aan draagkracht.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

  • E.F. Muller
  • R. Kamphuis

Partijen

  • [verweerder]

    verweerder · onbekend

  • [verzoekster]

    verzoekster · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.