Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBZUT:2001:AB0896

Rechtbank Zutphen · 05-04-2001 · zaaknummer Reg.nr.: 00/1327 WW 58

Bestuursrecht; Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Gelet op de niet duidelijke tekst van art. 16.3 WW in samenhang met de totstandkomingsgeschiedenis van die bepaling, moet onder de "opzegging met inachtneming van de rechtens geldende termijn" tevens begrepen worden de zogeheten aanzegtermijn. Ontbinding arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juni 2000. Verweerder heeft eiser medegedeeld dat, rekening houdend met de zogeheten fictieve opzegtermijn, het recht op WW-uitkering eerst op 1 juli 2000 kan ingaan. Partijen houdt verdeeld de vraag of bij het berekenen van de fictieve opzegtermijn, als bedoeld in art. 16.3 WW al dan niet rekening dient te worden gehouden met het bepaalde in art. 7:672.1 BW, ingevolge welk artikellid in beginsel tegen het einde van de maand dient te worden opgezegd. De rechtbank stelt in dit verband allereerst vast dat er -gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d.d. 28 maart 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AB0761, aanleiding is om niet langer vast te houden aan het eerder door de rechtbank ingenomen standpunt dat het bepaalde in art. 7:672.1 BW bij de berekening van de fictieve opzegtermijn toepassing mist. Blijkens evengenoemde uitspraak is het standpunt van de Raad dat, gelet op de niet duidelijke tekst van art. 16.3 WW in samenhang bezien met de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling, onder de 'opzegging met inachtneming van de rechtens geldende termijn' tevens begrepen moet worden de zogeheten aanzegtermijn. Een en ander geeft de rechtbank evenwel geen reden om het bestreden besluit in stand te laten. Dienaangaande is van belang dat door de kantonrechter in zijn beschikking van 16 mei 2000 geen vergoeding aan eiser is toegekend, doch in die beschikking slechts is verstaan dat de werkgeefster inmiddels heeft voldaan aan de bij wijze van vergoeding aangeboden begeleiding van eiser door middel van outplacement. Noch in de tekst van art. 16.3 WW, noch in de geschiedenis van totstandkoming van die bepaling, heeft de rechtbank aanknopingspunten kunnen vinden voor de opvatting dat het aanbieden van outplacement door een werkgever voor de toepassing van laatstgenoemde bepaling dient te worden aangemerkt als inkomsten, waarop de werknemer in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking recht heeft. Afgezien van het vorenstaande is door verweerder geenszins gemotiveerd, en geven ook de voorhanden zijnde gedingstukken op dit punt geen duidelijkheid, dat de kosten verband houdend met eisers outplacement toereikend zouden zijn om een gelijkstelling met loon te kunnen realiseren over de volledige door verweerder gehanteerde opzegtermijn over de periode van 16 mei 2000 tot 1 juli 2000. Lisv, verweerder. mr. E.J.J.M. Weyers

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.