ECLI:NL:RBZUT:2000:AA8964
Rechtbank Zutphen · 27-10-2000 · zaaknummer 00/1050 en 00/1051 NABW 58
Inhoudsindicatie
Standpunt dat door verzoekster niet tijdig, te weten vier weken voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de vergunning, een aanvraag om voortgezette toelating is gedaan en mitsdien het Besluit gelijkstelling toepassing mist, is naar voorlopig oordeel onjuist te achten. Naar voorlopig oordeel valt verzoekster per 1 november 2000 niet onder het bepaalde in art. 7, tweede lid, van de Abw, nu zij per die datum geen rechtmatig verblijf in Nederland houdt in de zin van art. 1b, aanhef en onder 1, van de Vw. Gelet evenwel op het schrijven van de Staatssecretaris van Justitie van 12 (verzonden 21) september 2000 blijft uitzetting van verzoekster ingevolge art. 32 van de Vw vooralsnog achterwege in afwachting van de beslissing op het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag om een vergunning tot voortgezet verblijf. Gelet op dit schrijven dient verzoekster naar voorlopig oordeel op grond van het bepaalde in art. 7, derde lid, van de Abw en het Besluit gelijkstelling te worden gelijkgesteld met een Nederlander zolang op haar bezwaarschrift tegen de beschikking van de Staatssecretaris van 25 mei 2000 niet is beslist. Verweerders ter zitting ingenomen standpunt dat door verzoekster niet tijdig, te weten vier weken voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de vergunning, een aanvraag om voortgezette toelating is gedaan en mitsdien het Besluit gelijkstelling toepassing mist, is naar voorlopig oordeel onjuist te achten. Naar voorlopig oordeel moet de zinsnede 'voor de beëindiging van dit verblijf' in art. 1, aanhef en onder a, van het Besluit gelijkstelling gelet op de wetsgeschiedenis aldus worden verstaan dat er voor een mogelijke gelijkstelling weliswaar sprake moet zijn van een tijdig gedane aanvraag. Die tijdigheid dient naar dezerzijds oordeel evenwel te worden beoordeeld aan de hand van hetgeen bij of krachtens de Vreemdelingenwet daaromtrent is bepaald, daaronder begrepen het door de Staatssecretaris van Justitie in dat kader gevoerde beleid. Van belang in dit verband is dat door de Staatssecretaris van Justitie ten tijde in geding een beleid werd gevoerd als neergelegd in hoofdstuk B1/4.4.1 van de Vreemdelingencirculaire, inhoudende dat de verblijfstitel van een vreemdelinge die in Nederland woont op basis van een van haar partner afhankelijke verblijfstitel, gedurende de periode dat die vreemdelinge haar partner is ontvlucht en verblijft in een opvanghuis, niet ingetrokken wordt op basis van het feit dat de relatie (tijdelijk) is verbroken. De vreemdelinge dient van haar vertrek uit het opvanghuis voorts onverwijld mededeling te doen aan de korpschef. Aangezien verzoeksters verblijfsvergunning laatstelijk was verlengd tot 4 december 1999, en het er gelet op de voorhanden zijnde gegevens voor moet worden gehouden dat verzoekster voor het overige heeft voldaan aan bovenuiteengezette beleidslijn van de Staatssecretaris, moet worden geoordeeld dat verzoekster op 17 juni 1999 een tijdige aanvraag om voortgezette toelating heeft ingediend als bedoeld in art. 1, aanhef en onder a, van het Besluit gelijkstelling. Gelet hierop dient verzoekster naar voorlopig oordeel voor de toepassing van de Abw te worden gelijkgesteld met een Nederlander en kan zij uit dien hoofde per 1 november 2000 aanspraak (blijven) maken op verstrekkingen ingevolge die wet. Aangezien de bestreden besluiten -gelet op het vorenstaande- naar verwachting in de bodemprocedure niet in stand zullen blijven, en genoegzaam is gebleken dat verzoekster en haar kinderen door het wegvallen van de algemene en bijzondere bijstand per 1 november 2000 in aanmerkelijke financiële problemen zullen geraken, casu quo noodzakelijk onderwijs niet langer zullen kunnen volgen, bestaat er aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening (volgt bepaling dat de aan verzoekster toegekende algemene en bijzondere bijstand per 1 november 2000 - desgewenst in de vorm van voorschotten - wordt voortgezet. mr E.J.J.M. Weyers (president) het Dagelijks Bestuur van het Intergemeentelijk Samenwerkingsverband Werk en Inkomen Terborg te Terborg, verweerder
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
- N. van den Berg
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
