ECLI:NL:RBZUT:2000:AA6742
Rechtbank Zutphen · 10-07-2000 · zaaknummer 00/574 WW
Inhoudsindicatie
Bij bepaling eerste werkloosheidsdag hoeft, naar voorlopig oordeel, geen rekening te worden gehouden met art. 16.3 WW. Verzoeker was sedert 1-2-1963 werkzaam bij X. Diens arbeidsovereenkomst is bij beschikking van 28-12-1999 ingaande 1-1-2000 ontbonden, onder toekenning van een vergoeding. Verzoekers aanvraag om WW-uitkering is afgewezen aangezien de vergoeding wordt gelijkgesteld met loon. Verzoeker is medegedeeld dat eerst per 1-6-2000 diens WW-uitkering kan ingaan. Verzoekers volgende aanvraag om WW-uitkering is afgewezen, omdat voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag, volgens verweerder 1-6-2000, niet wordt voldaan aan de referte-eis. Met ingang van 1-5-2000 kunnen namelijk de niet gewerkte weken tijdens de fictieve opzegtermijn niet gelijk worden gesteld met gewerkte weken. President: Het samenstel van bepalingen dwingt er (evenmin als de geschiedenis van de totstandkoming van de Flexwet) naar dezerzijds voorlopig oordeel niet toe om bij de bepaling van de eerste werkloosheidsdag van een werknemer die verkeert in een situatie als bedoeld in art. 16.1 WW, en derhalve evenmin bij de toepassing van art. 17, onderdeel a, WW rekening te houden met de in art. 16.3 WW vervatte gelijkstelling van het recht op onverminderde loondoorbetaling met de inkomsten waarop recht bestaat i.v.m. de beëindiging van een dienstbetrekking. Dat die gelijkstelling kan meebrengen dat het recht op uitkering van een werknemer die recht heeft op zodanige inkomsten eerst op een later tijdstip ingaat doet daaraan niet af. In dit verband is voorts van belang dat de hier aan de orde zijnde gelijkstelling niet (zoals voor 1 maart 1994 wel het geval was) is geformuleerd als een uitsluitingsgrond. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker in de 39 weken onmiddellijk voorafgaande aan 1 januari 2000 in ten minste 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht, dat hij tengevolge van de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst ingaande 1-1-2000 al zijn arbeidsuren heeft verloren alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van het loon over die uren, en evenmin dat hij beschikbaar was om arbeid te aanvaarden. Uitgaande van deze gegevens is verzoekers werkloosheid ingetreden op 3 januari 2000 en voldoet hij derhalve aan de referte-eis van art. 17, onderdeel a, WW. Of de ingangsdatum van de uitkering van verzoeker op een eerder tijdstip dan 1 juni 2000 moet worden gesteld, kan en zal thans in het midden worden gelaten evenals het antwoord op de vraag of verzoeker aan het gestelde in de brief van verweerder van 13-1-2000 het gerechtvaardigde vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat hij ingaande 1-6-2000 recht op uitkering zou hebben (althans dat de voordien doorgevoerde wijziging in de uitvoeringspraktijk niet aan dat recht in de weg staat). Gelet op het vorenoverwogene en nog in aanmerking nemend dat zijdens verweerder niet is betwist dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening zijn er voldoende termen aanwezig om daartoe over te gaan. Nu het hier om een voorlopige voorziening gaat, bestaat er geen grond om verweerder op te dragen verzoeker onvoorwaardelijk in aanmerking te brengen voor toekenning van een WW-uitkering. Verzoek om voorlopige voorziening toegewezen. Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder. mr. M.J. van Lee (president)
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
- A.J.H. Ozinga
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
