Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY7769

Rechtbank Utrecht · 20-12-2012 · zaaknummer SBR 12/1935

BestuursrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres en [dochter 1] geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben (gehad). Gelet hierop zijn zij niet op grond van artikel 11, tweede of derde lid, van de Wwb met een Nederlander gelijk te stellen. Als gevolg hiervan vallen eiseres en [dochter 1] onder artikel 16, tweede lid van de Wwb, zodat aan hen zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel, geen uitkering ingevolge de Wwb worden toegekend. Ook indien sprake is van een positieve verplichting op grond van artikel 8 van het EVRM dient niettemin de beperkte doelstelling van de Wwb in acht te worden genomen. Een positieve verplichting ten aanzien van vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de Wwb, kan niet met toepassing van de Wwb gestalte worden gegeven. Ten aanzien van het beroep op schending van artikel 14 van het EVRM wijst de rechtbank op rechtspraak van de CRvB waarbij is overwogen dat het in de koppelingswetgeving gemaakte onderscheid naar nationaliteit verenigbaar is met de non-discriminatievoorschriften welke zijn vervat in artikel 14 van het EVRM. Voor zover gelet op de inhoud van het arrest Ruiz Zambrano moet worden aangenomen dat aan eiseres dan wel aan [dochter 2] voorzieningen moeten worden verstrekt ter voorkoming van het risico dat eiseres samen met haar kinderen het grondgebied van de Unie verlaat om (waarschijnlijk in haar land van herkomst) middelen van bestaan te verwerven, waardoor [dochter 2] het effectief genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten zou worden ontzegd, is daarmee niet gezegd welke (wettelijke) voorzieningen dat zouden moeten zijn en of het de taak van verweerder is om deze te verstrekken. In de rechtspraak van de CRvB op het gebied van de Wwb en inzake de positieve verplichting die op grond van artikel 8 van het EVRM op de Staat kan rusten, zijn aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat hulp die wordt verstrekt in het kader van de Rva en/of de Wmo een adequate voorziening kan zijn om voormeld risico weg te nemen. Het ligt dan ook op de weg van eiseres om zich tot het COA en/of een van de (centrum)gemeenten te wenden met het verzoek om in het licht van artikel 20 van het VWEU en het Unieburgerschap van [dochter 2], aan haar en [dochter 1] hulp op grond van de Rva respectievelijk Wmo te verlenen om dit risico weg te nemen. Het beroep op artikel 20 van het VWEU ter onderbouwing van de stelling dat aan eiseres dan wel [dochter 2] op grond van de Wwb een uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder wordt verstrekt, slaagt niet.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • [eiseres]

    eiseres · onbekend

  • het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

    verweerder · overheid

Overheidspartijen

  • het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.