ECLI:NL:RBUTR:2012:BY4905
Rechtbank Utrecht · 05-11-2012 · zaaknummer SBR 12/267 E, SBR 12/268 E, SBR 12/881 E en SBR 12/882 E
Inhoudsindicatie
Last onder dwangsom, invordering, bijkomende beschikking, begunstigingstermijn, kortsluiten en bestuurlijke lus in een voorlopige voorziening, beroepstermijn, belanghebbende. Wetsartikelen: artikel 5:39 en artikel 5:32a van de Awb, 8:86 van de Awb, Wvgs Samenvatting: Einduitspraak in voorlopige voorziening. In overeenstemming met wat met partijen is besproken tijdens de tweede zitting, beslist de voorzieningenrechter in deze uitspraak in deze zaak zonder uitvoerige procedure over de laatste beslissing op bezwaar van 9 oktober 2012. Strikt genomen beslist de voorzieningenrechter met deze uitspraak binnen een voor eventuele derde-belanghebbenden geldende beroepstermijn over het besluit van 9 oktober 2012. Er is geen derde-belanghebbende die realistisch gezien zou kunnen willen opkomen tegen dat laatste besluit, terwijl hij tegen de voorlopers daarvan geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Daarom acht de voorzieningenrechter het, ook uit een oogpunt van proceseconomie, verantwoord nu einduitspraak te doen op het beroep en het verzoek. De voorzieningenrechter heeft in de tussenuitspraak geconcludeerd dat de door verweerder bepaalde begunstigingtermijn van een week te kort is voor eiseres om aan haar verplichtingen (zoals deze door verweerder zijn ingevuld en door de voorzieningenrechter zijn geaccordeerd) te kunnen voldoen. Verweerder is vervolgens in de gelegenheid gesteld om dit gebrek bij een nieuw besluit op bezwaar te herstellen. Dit heeft ten eerste geleid tot een besluit van 15 juni 2012, waarbij de begunstigingstermijn was bepaald op 1 februari 2013 en vervolgens tot het besluit van 9 oktober 2012. Bij dat laatste besluit heeft verweerder de begunstigingstermijn bepaald op 1 januari 2014 en de besluiten van 17 februari 2012 en 15 juni 2012 ingetrokken. Gelet hierop heeft eiseres geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep tegen deze besluiten. Het beroep, voor zover gericht tegen deze drie besluiten, wordt daarom wegens het ontvallen van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent vervolgens dat het beroep zich alleen nog richt tegen het besluit van 9 oktober 2012. Eiseres heeft in haar schriftelijke reactie op de laatste beslissing op bezwaar gesteld dat zij - gegeven de oordelen in de tussenuitspraak - (naar de voorzieningenrechter begrijpt: in de fase van beroep) kan instemmen met de in die beslissing op bezwaar gestelde begunstigingstermijn als uitkomst van het overleg tussen haar en verweerder. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 9 oktober 2012, is ongegrond.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Minister van Infrastructuur en Milieu
verweerder · overheid
Overheidspartijen
Minister van Infrastructuur en Milieu
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
