ECLI:NL:RBUTR:2012:BX0645
Rechtbank Utrecht · 05-07-2012 · zaaknummer SBR 10-2352
Inhoudsindicatie
Trefwoorden: projectsubsidie, intrekking; ontbinding overeenkomst; Hanseland uitspraak; tenderinstructies PSOM; wijziging subsidie-ontvanger; buitenlandse vennootschap; proportionaliteit; ongegrond Wetsartikelen: artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder b, Algemene wet bestuursrecht Samenvatting: Verweerder heeft terecht aansluiting gezocht bij de Hanseland uitspraak en zich op grond daarvan ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat de in het kader van het PSOM op grond van de overeenkomst van 8 juli 2008 aan eiseres verstrekte financiële bijdrage is aan te merken als een subsidie in de zin van artikel 4:21 van de Awb. Een financiële verstrekking verleend op grond van het PSOM is vergelijkbaar met die op grond van het PSO waarover het College in de Hanseland uitspraak heeft geoordeeld. De tenderinstructies PSOM in het kader van de subsidieverlening zijn aan te merken als beleidsregels. Dat in de overeenkomst niet uitdrukkelijk naar de tenderinstructies is verwezen, betekent niet dat deze beleidsregels niet gelden in de rechtsverhouding tussen eiseres als subsidieontvanger en verweerder als subsidieverlener. De bepaling in de overeenkomst dat de Staat der Nederlanden het project aan eiseres heeft gegund ‘in the context of the PSOM’, bevat hiervoor een voldoende aanwijzing. De weigering van verweerder om in te stemmen met de door eiseres gevraagde wijzigingen van de overeenkomst is niet op onredelijke gronden ieschied. Verweerder heeft in dit verband naar voren gebracht dat Vietnam niet behoort tot de Least Developed Countries (LDC) en ook niet tot de Heavily Indebted Poor Countries (HIPC), maar dat Nederland wel een ontwikkelingsrelatie met Vietnam onderhoudt en dat het vast beleid is van de minister van ontwikkelingssamenwerking (thans: van verweerder) om in het kader van de ontwikkelingssamenwerking met niet LDC- of HIPC-landen het Nederlandse bedrijfsleven de kans te geven zich in die samenwerking te positioneren. Hierin heeft verweerder een gegronde reden gezien om vast te houden aan de eis dat de aanvrager en daarmee de subsidieontvanger een in Nederland gevestigde onderneming moet zijn. De intrekking van de subsidieverlening als gevolg van de weigering door verweerder van haar verzoek tot wijziging van de subsidieontvanger naar een niet-Nederlandse vennootschap, was voor eiseres te voorzien. Verweerder heeft eiseres mogen tegenwerpen dat zij door haar overdracht aan Rhodia verweerder voor een voldongen feit heeft geplaatst waardoor het voor eiseres onmogelijk is geworden om nog langer te voldoen aan de voorwaarden voor subsidieverlening. Op grond van artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb levert dit voor verweerder voldoende grond voor intrekking van de aan eiseres verleende subsidie. Dat het voor eiseres lange tijd onduidelijk was hoe en wanneer de overname door Rhodia zou plaatsvinden, ontslaat eiseres niet van haar verplichting uit de overeenkomst om verweerder tijdig duidelijke informatie te verschaffen over de stand van zaken van de op handen zijnde overname door Rhodia. Nu eiseres dat heeft nagelaten, heeft verweerder haar dat mogen toerekenen. Van een onevenredige belangenafweging is geen sprake.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
de minister van Buitenlandse Zaken
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de minister van Buitenlandse Zaken
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
