ECLI:NL:RBUTR:2012:BW0572
Rechtbank Utrecht · 28-03-2012 · zaaknummer 773939 UC EXPL 11-14674 H/4087
Inhoudsindicatie
onderhavig geschil heeft huurder de door hem woning tussen 2006 en 2010 onderverhuur aan een derde. Hiermee is huurder tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. De door de verhuurder gevorderde ontbinding en ontruiming toegewezen. Voorts vordert de verhuurder op grond van 6:104 BW afdracht van het verschil tussen de door de onderhuurder betaalde huurpenningen (€ 800,00 per maand) en de door de huurder betaalde huurpenningen (ca. € 400,00 per maand). Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad 18 juni 2010 (RvdW 2010, 771) wordt geoordeeld dat artikel 6:104 BW niet degene jegens wie wanprestatie gepleegd is een “vordering tot winstafdracht” geeft, maar de rechter een discretionaire bevoegdheid geeft om in het geval dat schadevergoeding gevorderd is, de schade te begroten op het bedrag van de door de gepleegde wanprestatie genoten winst. In een en ander ligt besloten dat de rechter niet tot toepassing van artikel 6:104 BW kan overgaan, indien aannemelijk gemaakt wordt dat geen schade kan zijn ontstaan. Zowel geleden verlies als gederfde winst komen in aanmerking voor een schadevergoeding. Voor schadevergoeding komt niet in aanmerking de winst die verhuurder had kunnen maken, maar alleen de winst waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij die werkelijk zou hebben gemaakt. De kantonrechter overweegt dat uit de omstandigheid dat huurder de woning heeft onderverhuurd voor een bedrag van € 800,00 per maand volgt dat het mogelijk was om de woning voor een hogere huurprijs te verhuren. Hiermee kan echter redelijkerwijs niet worden aangenomen dat verhuurder de extra winst die de hogere huurprijs zou hebben opgeleverd ook werkelijk zou hebben gemaakt. Doorslaggevend in dezen acht de kantonrechter dat uit de huurprijs die verhuurder met huurder is overeengekomen volgt dat zij bereid was om de woning tegen een huurprijs van – laatstelijk – € 402,43 te verhuren en ook daadwerkelijk voor die prijs verhuurd heeft aan Oumghar. Van winstderving is derhalve geen sprake, zodat niet aannemelijk geworden is dat verhuurder schade geleden heeft. Nu ook niet aannemelijk geworden is dat verhuurder schade geleden heeft, wordt de vordering tot winstafdracht afgewezen. Toepasselijke wetsartikelen: 6:104 BW en 6:265 BW
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[eiseres]
eiseres · onbekend
[eiseres]
eiser · onbekend
[gedaagde]
gedaagde · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
