ECLI:NL:RBUTR:2011:BP0917
Rechtbank Utrecht · 14-01-2011 · zaaknummer SBR 10-4245 en SBR 10-4246
Inhoudsindicatie
Eiser en zijn kinderen hebben geen rechtmatig verblijf in Nederland. Daarom vallen zij niet onder de reikwijdte van artikel 8, eerste lid, van de Wmo. Voorts kunnen zij op grond van artikel 10 en 11 van de Vw geen aanspraak maken op opvang. Is verweerder toch gehouden tot opvang op grond van artikel 8 van het EVRM? Voor zover het de positie van eiser zelf betreft is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder de aanvraag om opvang heeft mogen afwijzen. Gelet op het feit dat de meest recente medische gegevens van eiser uit 2008 dateren heeft eiser op dit moment naar het oordeel van de rechtbank niet aangetoond dat hij, gelet op zijn gezondheidstoestand, behoort tot de categorie van kwetsbare personen, die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privé en gezinsleven. Ten aanzien van het beroep op artikel 8 van het EVRM voor de kinderen, verwijst de voorzieningenrechter naar uitspraken van het Gerechtshof ’s-Gravenhage en van de CRvB en overweegt dat in artikel 2 van de Wmo besloten ligt dat de positieve verplichting van de Staat om ergens recht te doen aan artikel 8 van het EVRM zich primair richt tot het bestuursorgaan dat belast is met de uitvoering van de wettelijk geregelde voorliggende voorzieningen als bedoeld in artikel 2 van de Wmo. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat de kinderen vallen onder het bereik van de met de uitspraak van de AbRS van 28 maart 2007 gegeven uitleg van artikel 3, eerste en tweede lid, van de Wet COA. Het COA heeft immers de publiekrechtelijke bevoegdheid – en gehoudenheid – om in zeer bijzondere omstandigheden buiten de in de Rva voorziene gevallen opvang te bieden. Eiser heeft bij het COA verzocht om opvang. Deze aanvraag is afgewezen. Eiser heeft hiertegen geen rechtsmiddelen aangewend. Verweerder heeft dit eiser mogen tegenwerpen. De voorzieningenrechter geeft eiser in overweging om zich nogmaals tot het COA, althans de staat, te wenden en voor een nieuwe periode een verzoek om opvang in te dienen. De vraag of, bij een recht op opvang van de kinderen, ook voor eiser een dergelijk recht bestaat, kan in deze procedure buiten beschouwing blijven en is in eerste instantie aan de staat ter beoordeling. Thans is overigens ten aanzien van de kinderen nog geen gezagsvoorziening getroffen of een voorziening betreffende hun gewone verblijfplaats (bij vader of bij moeder) en het is de voorzieningenrechter ook anderszins niet gebleken dat de kinderen voor hun verblijf, opvoeding en verzorging (voornamelijk) op eiser zijn aangewezen en dat verblijf bij en opvoeding en verzorging door de moeder niet mogelijk zijn. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het er in dit stadium voor moet worden gehouden dat er een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, zoals bedoeld in artikel 2 van de Wmo, bestaat. Verweerder heeft dan ook in dit stadium de aanvraag terecht afgewezen.
Rechters
Advocaten
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht
verweerder · overheid
Overheidspartijen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
