Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBUTR:2010:BM0846

Rechtbank Utrecht · 06-04-2010 · zaaknummer SBR 10/867 WMO

Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Opvang, uitgeprocedeerde asielzoekster, ECSR, Wetsartikelen: art. 8 WMO, ESH, art. 8 EVRM, IVRK Samenvatting: Verzoekster is in november 2006 Nederland binnengekomen en heeft hier asiel aangevraagd. Haar dochtertje is geboren in 2006. Verzoekster is inmiddels in de asielprocedure uitgeprocedeerd. Opvang, geboden door het COA, is beëindigd. Verweerder heeft verzoeksters aanvraag om opvang op basis van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) afgewezen, nu op grond van artikel 8, eerste lid, van de WMO, de voorzieningen zijn bedoeld voor diegenen die op grond van artikel 8, onderdeel a tot en met l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) rechtmatig in Nederland verblijven. Verzoekster en haar dochtertje voldoen hier niet aan. Verzoekster beroept zich op de beschermende werking van het Herziene Europees Sociaal Handvest (ESH). Daartoe is gewezen op een recente uitspraak van het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) van 20 oktober 2009, gepubliceerd op 28 februari 2010. Verzoekster heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat opvang van moeder en kind, als voorwaarde om enig privéleven te kunnen hebben, valt onder artikel 8 van het EVRM, in verbinding van het ESH, artikel 12 van het Vrouwenrechtenverdrag en de artikelen 9 en 24 van het IVRK. Als bijzondere omstandigheid is nog gesteld dat verzoeksters dochter astmatisch is en epilepsie heeft. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de afwezigheid van volkenrechtelijke binding van uitspraken van het ECSR, zoals gesteld door verweerder, niet betekent dat uitspraken van het ECSR niet van betekenis zijn bij de beoordeling van de toepassing van nationaal recht, mede bezien in het licht van internationaal recht. De uitspraak van het ECSR moet worden gekenmerkt als een gezaghebbende uitspraak, inhoudende de interpretatie van een algemeen geformuleerde verdragsbepaling. Nu het ESCR door Nederland is geratificeerd zal bij de rechtmatigheid van een overheidsbesluit met een dergelijke gezaghebbende uitspraak moeten worden rekening gehouden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, gelet op artikel 8 van het EVRM, in verbinding met de artikelen 17 en 31 van het ESH, het IVRK en het Vrouwenrechtenverdrag en in aanmerking genomen de uitspraak van het ECSR van 20 oktober 2009, noodopvang van moeder en kind, bestaande uit onderdak, voedsel, noodhulp en kleding, cruciaal is bij het behouden en bevorderen van de menselijke waardigheid in de onderhavige situatie. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter wordt daaraan niet afgedaan door de interpretatie van artikel 8 van het EVRM in de uitspraken van de CRvB van 22 december 2008. De CRvB stelt ook in die uitspraken voorop dat het EHRM als “very essence” van het EVRM aanmerkt, respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid. De CRvB overweegt dat kinderen en andere kwetsbare groepen in het bijzonder recht hebben op bescherming. In onderhavige situatie gaat het om dakloosheid van een zeer jong kind met ook gezondheidsklachten. In het licht van de uitspraak van het ECSR van 20 oktober 2009 moet worden aangenomen dat het in een dergelijke situatie wel gaat om ernstige bedreiging van het privé- en gezinsleven, die een normale ontwikkeling van het kind in de weg staat. Bovendien gaat het om tijdelijke noodopvang. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de voorlopige voorziening te treffen dat verweerder aan verzoekster en haar minderjarige kind met ingang van 6 april 2010 tot zes weken na de beslissing op ebzwaar tijdelijke opvang biedt op grond van de WMO.

Rechters

Advocaten

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Utrecht

    verweerder · overheid

  • [verzoekster]

    verzoekster · onbekend

Overheidspartijen

  • College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Utrecht

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.