ECLI:NL:RBUTR:2009:BH6678
Rechtbank Utrecht · 04-03-2009 · zaaknummer SBR 08-1428 WAV
Inhoudsindicatie
Aan eiser is een boete opgelegd wegens overtreding van artikel 2 van de Wav. In de woning van eiser zijn drie Poolse personen aangetroffen die kluswerkzaamheden verrichtten zonder over een tewerkstellingsvergunning te beschikken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder genoegzaam aannemelijk gemaakt dat geen sprake is van grensoverschrijdende dienstverlening. De vraag of rechtsgeldig notificatie achteraf heeft plaatsgevonden behoeft dan ook geen nadere bespreking. Voorts heeft verweerder eiser terecht aangemerkt als werkgever, gelet op de ruime definitie van het begrip ‘werkgever’ in de Wav, de feitelijke situatie zoals die naar voren komt uit het boeterapport en de door eiser en de vreemdelingen afgelegde verklaringen. Eiser heeft tot slot een beroep gedaan op artikel 6 EVRM en gesteld dat de redelijke termijn in dit geval is overschreden. In navolging van de ABRvS (zie onder meer de uitspraken van 14 maart 2007, LJN: BA0664 en 24 december 2008, LJN: BG8306) overweegt de rechtbank dat de redelijke termijn is overschreden indien de duur van de totale procedure onredelijk lang is. Als uitgangspunt heeft voor de beslechting van het geschil in eerste aanleg over een boete te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet en dat deze termijn aanvangt op het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. In dit geval heeft eiser aan de boetekennisgeving van 13 juni 2006 in redelijkheid de verwachting kunnen ontlenen dat aan hem een boete zou worden opgelegd, waarmee de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM op dat moment is aangevangen. De beslechting van het geschil in eerste aanleg eindigt met deze uitspraak van heden, te weten op 4 maart 2009, zodat deze fase van de procedure langer dan twee jaar heeft geduurd. Naar het oordeel van de rechtbank is de overschrijding van de redelijke termijn niet aan de proceshouding van eiser te wijten, noch is sprake van een bijzonder complexe zaak. De rechtbank oordeelt dan ook dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Daarvoor dient eiser te worden gecompenseerd. De rechtbank matigt de boete met 10 procent. Voor de hoogte van deze matiging baseert de rechtbank zich op de uitspraak van de ABRvS van 24 december 2008, LJN: BG8306, de daarin genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 22 april 2005, AB 2006, 11, en de uitspraak van de Hoge Raad van 19 december 2008, LJN: BD0191.
Advocaten
- F.M.E. Schuttenhelm
- K. Roderburg
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
verweerder · overheid
[eiser]
eiser · onbekend
Overheidspartijen
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
