Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBUTR:2004:AO4489

Rechtbank Utrecht · 17-02-2004 · zaaknummer 16/100202-02

StrafrechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Uit de hierboven vermelde bewezenverklaring volgt dat het wegnemen van grote sommen geld toebehorende aan het slachtoffer (in totaal ruim € 169.000,-), zoals ten laste gelegd aan H.B. en G.G., en het opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst daarvan, zoals ten laste gelegd aan J.S., als bewezen heeft te gelden. Met betrekking tot de vraag of verdachten door de bewezen verklaarde feiten wederrechtelijk hebben gehandeld - hetgeen zij bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting hebben bestreden -, overweegt de rechtbank het volgende. Voor het antwoord op bovenbedoelde vraag is in de eerste plaats van belang of aan het wegnemen van de aan het slachtoffer toebehorende gelden, respectievelijk het voordeel trekken uit met de weggenomen gelden gekochte goederen, een rechtsgeldige titel ten grondslag heeft gelegen. Die titel zou kunnen worden gezocht in het geregistreerd partnerschap dat het slachtoffer op 16 juli 2001 is aangegaan met H.B., haar huishoudster, - waardoor krachtens de wet een algehele gemeenschap van goederen tussen het slachtoffer en H.B. is ontstaan - dan wel in de toestemming van het slachtoffer die verdachten naar eigen zeggen hebben verkregen voorafgaande aan het wegnemen van de betrokken gelden. Het geregistreerd partnerschap tussen het slachtoffer en H.B. is evenwel bij beschikking van 19 juni 2002 door deze rechtbank vernietigd, welke vernietiging in hoger beroep door het gerechtshof te Amsterdam is bekrachtigd. Rechtbank en hof hebben hiertoe overwogen, samengevat, dat de geestelijke toestand van het slachtoffer ten tijde van het aangaan van het geregistreerd partnerschap zodanig was, dat zij niet in staat was de betekenis daarvan te begrijpen en niet in staat was haar wil ten aanzien van dat partnerschap (ongestoord) te bepalen. Onder verwijzing naar een tweetal medische rapportages heeft het hof in dit verband overwogen (onder 4.7. van zijn beschikking) dat aannemelijk is dat het slachtoffer "op 16 juli 2001 reeds zodanig cognitief was achteruitgegaan als gevolg van dementie van het Alzheimertype dat zij niet in staat is geweest haar wil te bepalen of de betekenis van haar verklaring [tot het aangaan van een geregistreerd partnerschap] te begrijpen".

Advocaten

  • H.K. Jap-A-Joe

Partijen

  • H. B

    verdachte · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.