ECLI:NL:RBUTR:2003:AF7712
Rechtbank Utrecht · 23-04-2003 · zaaknummer 146931/HA ZA 02-1132
Inhoudsindicatie
Beroepsaansprakelijkheid advocaat verjaring AMEV heeft onweersproken gesteld dat bij een contractuele relatie tussen verzekeraar en de verzekerde (ook bij een beroepsaansprakelijkheidsverzekering) de verjaring moet worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf die is neergelegd in artikel artikel 3:313 BW in verbinding met artikel 3:307 lid 1 BW. Het betreft in het onderhavige geval een vordering die strekt tot nakoming van een verplichting om dekking te verlenen. Bij dergelijke vorderingen vangt de verjaringstermijn van vijf jaar aan op de dag volgend op die waarop de onmiddellijke nakoming kan worden gevorderd. Bij een vordering op de verzekeraar krachtens een beroepsaansprakelijkheidsverzekering kan dit tijdstip gelijk worden gesteld aan het moment waarop de verzekerde zich geconfronteerd ziet met een opeisbare schadeclaim jegens hem die valt onder het verzekerde risico. In dat geval ontstaat immers voor de verzekeraar de verplichting om dekking te gaan verlenen krachtens de verzekeringsovereenkomst. Hierbij doet, zoals uit het voorgaande reeds volgt, niet terzake of die schadeclaim terecht was. Naar het oordeel van de rechtbank is, anders dan eiser heeft betoogd, geen sprake van een verbintenis onder opschor-tende of ontbindende voorwaarde. Action Directe Uitgangspunt volgens het huidige Nederlandse recht is - behoudens enkele wettelijke uitzonderingen die hier niet ter zake doen - dat een benadeelde niet rechtstreeks een vordering kan instellen tegen de verzekeringsmaatschappij bij wie degene die de schade heeft veroorzaakt voor aansprakelijkheid is verzekerd. De door eiser aangevoerde feiten en omstandigheden zijn, zowel afzonderlijk als in onderling verband beschouwd, onvoldoende om, getoetst aan voormeld arrest, een uitzondering op deze hoofdregel te kunnen rechtvaardigen. Het en-kele feit dat AMEV zich als verzekeraar heeft beziggehouden met de afwikkeling van de schade van eiser, is onvoldoende reden voor vereenzelviging van de verzekeraar en de aansprakelijke persoon en kan evenmin leiden tot een rechtstreekse vordering van de benadeelde op de verzekeraar. AMEV heeft zich immers niet reeds daardoor jegens eiser verbonden of een daartoe strekkend vertrouwen gewekt. Ook de schikkingonderhandelingen kunnen niet tot het aannemen van een dergelijk vertrouwen leiden. AMEV heeft uitdrukkelijk gesteld dat het aanbod dat zij in dit kader heeft gedaan niet de bedoeling had om enige gebondenheid jegens eiser te impliceren, en dat het slechts een bijdrage in het kader van een minnelijke regeling tussen de verzekerde en eiser betrof voor het geval verzekerde door de rechter voor de door eiser geleden schade aansprakelijk zou worden geacht.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
