ECLI:NL:RBSHE:2001:AD6502
Rechtbank 's-Hertogenbosch · 25-10-2001 · zaaknummer AWB 01/2113 VV, AWB 01/2114 GEMWT
Inhoudsindicatie
Strijd met het verbod op reformatio in peius door bij beslissing op bezwaar de maximum te verbeuren dwangsom opnieuw op het oorspronkelijke bedrag vast te stellen, terwijl de bevoegdheid tot invordering van verbeurde dwangsommen reeds gedeeltelijk was verjaard. Aanschrijving d.d. 9 november 2000 om binnen een termijn van zes weken na verzending van dat besluit een aanbouw/serre op het perceel aan de [...]straat [...] te B te verwijderen. Indien eiser niet aan de aanschrijving voldoet verbeurt hij een dwangsom van ƒ 250,-- per dag dat hij in gebreke blijft, met een maximum van ƒ 10.000,-- . Bij besluit van 16 juli 2001 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Aangezien naar de mening van verweerder de bevoegdheid tot invordering van de reeds verbeurde dwangsom ingevolge art. 5:35 Awb reeds was verjaard, heeft hij eiser bij dit besluit, wederom onder oplegging van een dwangsom van ƒ 250,-- per dag dat hij in gebreke blijft aan de last te voldoen, met een maximum van ƒ 10.000,--, gelast voornoemd bouwwerk af te breken, thans binnen zes weken na de verzending van het besluit op bezwaar. Het hieromtrent in het besluit van 8 (Red.: lees 9) november 2000 bepaalde is daarbij ingetrokken. Volgens de president was, anders dan verweerder blijkens het bestreden besluit veronderstelt, de bevoegdheid tot invordering ten tijde van het nemen van dat besluit niet ten aanzien van het gehele op dat moment verbeurde bedrag verjaard. Verweerder lijkt uit het oog te hebben verloren dat op elke dag dat een bedrag wordt verbeurd, een afzonderlijke verjaringstermijn van zes maanden is gaan lopen. Hieruit volgt dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog een bedrag van in totaal ƒ 3.750,-- kon worden ingevorderd. Hoewel in mindere mate dan verweerder veronderstelt moet op grond van het vorenstaande worden aangenomen, dat de heroverweging van het primaire besluit naar aanleiding van eisers bezwaar heeft geleid tot een voor hem nadeliger situatie dan welke waarin hij zou hebben verkeerd, indien die heroverweging niet zou hebben plaatsgevonden. Door de termijn waarbinnen aan de opgelegde last dient te zijn voldaan, opnieuw vast te stellen en daarbij het maximum van de te verbeuren dwangsom wederom op ƒ 10.000, te stellen, heeft verweerder immers bewerkstelligd dat zonodig alsnog laatstgenoemd bedrag in zijn geheel zal kunnen worden ingevorderd. Naar het oordeel van de president had verweerder bij het nemen van het bestreden besluit het maximum van de te verbeuren dwangsom dan ook in elk geval dienen te beperken tot het bedrag dat op dat moment nog kon worden ingevorderd. Door een dergelijke beperking niet in het bestreden besluit op te nemen is dit besluit genomen in strijd met het verbod op een zogeheten reformatio in peius zoals dat geacht moet worden besloten te liggen in art. 7:11, eerste lid, Awb. Het bestreden besluit komt, onder gegrondverklaring van het daartegen gerichte beroep, reeds hierom voor vernietiging in aanmerking. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond, verweerder. mr. W.C.E. Winfield (president)
Rechters
Advocaten
- C. Trovatello
- I. PROCESVERLOOP Bij
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond
verweerder · overheid
Overheidspartijen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
