ECLI:NL:RBSHE:2001:AB1711
Rechtbank 's-Hertogenbosch · 26-03-2001 · zaaknummer AWB 00/1388 AAW
Inhoudsindicatie
Bij toepasselijkheid op grond van Wet Tba van oud art. 5.5 AAW dient bij doorwerkende zelfstandige deeltaakanalyse plaats te vinden; verlaging/intrekking van uitkering kan met het oog op zorgvuldigheid niet eerder ingaan dan nadat de betrokkene daarvan op de hoogte is gesteld. Eiser, die (gedeeltelijk) weer is gaan werken in eigen bedrijf, wordt bij afzonderlijke beslissingen o.a. medegedeeld dat het recht op AAW-uitkering met ingang van 1 augustus 1996 wordt verlaagd naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 45-55% en dat gedurende de periode van 1 januari 1996 tot 1 april 1998 ten onrechte aan eiser uitkeringen zijn verstrekt, welke van eiser teruggevorderd zullen worden. Ten eerste concludeert de rechtbank in het onderhavige geval dat onder de bedoelde arbeid, als genoemd in het art. 5.5 AAW, waarnaar wordt verwezen in art. 33.2 AAW, moet worden verstaan de arbeid in art. 5.5 AAW, zoals dit artikel luidde vóór 1 augustus 1993. Deze conclusie brengt met zich dat de wijze, waarop de mate van arbeidsongeschiktheid van in het eigen bedrijf doorwerkende zelfstandigen wordt berekend, moet worden beoordeeld aan de hand van het tot 1 augustus 1993 geldende arbeidsongeschiktheidscriterium en de op grond daarvan nader in de jurisprudentie uitgewerkte criteria. Conform vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, gebaseerd op de wetgeving tot 1 augustus 1993, dient bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van een (door-)werkende zelfstandige primair een benadering te worden gekozen waarbij de (door een soortgelijke gezonde persoon te verrichten) arbeid in een dergelijk bedrijf wordt gesplitst, waarna per deeltaak aan de hand van de gebleken medische beperkingen van de betrokkene de mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend. Voorts is in de jurisprudentie tot uitdrukking gebracht dat aan de winstcijfers in een dergelijke situatie hoogstens aanvullende betekenis kan worden toegekend, omdat de hoogte van de winst veelal wordt beïnvloed door economische factoren en andere factoren die geen verband houden met de medische beperkingen van de verzekerde. Anders dan verweerder meent, is de rechtbank dan ook van oordeel dat in het onderhavige geval eisers mate van arbeidsongeschiktheid moet worden beoordeeld op basis van een deeltaakanalyse en een urenvergelijking, zoals hiervoor is uiteengezet. Een schatting louter op basis van winstcijfers acht de rechtbank onjuist. Ten tweede overweegt de rechtbank het volgende. Bij besluit van 21 oktober 1998 is eiser voor het eerst meegedeeld dat zijn uitkering met ingang van 1 augustus 1996 zal worden verlaagd naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45 tot 55%. Anders dan verweerder meent kan een uitkering niet met terugwerkende kracht worden verlaagd, tenzij duidelijk was dat eiser ernstig rekening diende te houden met een dergelijke verlaging. Daarvan is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, gepubliceerd in AB 1995, 297, waarin in gelijke zin werd beslist. De rechtbank kan verweerder niet volgen in zijn standpunt dat deze onderhavige situatie op één lijn gesteld kan worden met de situatie, waarin het inkomen uit arbeid van een arbeidsongeschikte zelfstandige, na afloop van een boekjaar kan leiden tot korting op de reeds uitbetaalde uitkering, en derhalve kan leiden tot verrekening of een terugvordering van de uitkering. Conform vaste jurisprudentie kan, indien vastgesteld is dat een betrokkene recht heeft op een lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering, danwel dat deze uitkering dient te worden ingetrokken, deze verlaging c.q. intrekking uit oogpunt van zorgvuldigheid niet eerder ingaan dan nadat de betrokkene daarvan op de hoogte is gesteld. Nu in het onderhavige geval eisers resterende mate van verdienvermogen, de zogeheten restverdiencapaciteit, is beoordeeld en vergeleken met zijn eigen werk betekent het bovenstaande dat zijn uitkering niet eerder verlaagd kan worden dan per 21 oktober 1998, omdat eiser hierover op deze datum voor het eerst is geïnformeerd. Beroep gegrond. Verweerder dient nieuw besluit te nemen. Lisv, verweerder. mrs. J.R. van Es-de Vries, Y. Klerk, H.M.H. de Koning
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
