ECLI:NL:RBSGR:2012:BY9820
Rechtbank 's-Gravenhage · 03-12-2012 · zaaknummer AWB 12/22644
Inhoudsindicatie
De Rb. stelt vast dat eiser voorafgaand aan het inreisverbod niet is gehoord over de uitvaardiging van dat verbod noch over de duur daarvan. De Rb. kan deswege niet vaststellen of eiser kenbaar heeft gemaakt dat al dan niet sprake is van humanitaire of andere redenen welke aanleiding kunnen geven tot het niet uitvaardigen van een inreisverbod en dat nader onderbouwde bijzondere individuele omstandigheden aanleiding kunnen geven tot verkorting van de duur daarvan. Gelet op de met betrekking tot het uitvaardigen van inreisverboden in de Vc (A5/5-6) neergelegde (procedurele) beleidsregels en gelet op hetgeen in de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2012, met nummer 201201202/1/V4 (LJN: BW9115), is overwogen over art. 4:8 lid 1 Awb, gelezen in samenhang met art. 11, lid 2 van de Terugkeerrichtlijn, getuigt het niet horen van eiser in de primaire fase niet van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit tot het uitvaardigen van een inreisverbod voor de duur van tien jaar. Dat eiser - mogelijk - in het voornemen kenbaar is gemaakt dat humanitaire of andere omstandigheden aanleiding kunnen geven af te zien van het opleggen van het inreisverbod en individuele omstandigheden aanleiding kunnen geven tot verkorting van de duur van het op te leggen inreisverbod en dat het aan de vreemdeling is dergelijke individuele omstandigheden naar voren te brengen, doet aan het voorgaande niet af. Het voorgaande klemt temeer nu het een inreisverbod betreft voor de duur van tien jaar. Verweerder heeft overigens in het besluit ook niet toegelicht op welke wijze uitvoering is gegeven aan de hoorplicht overeenkomstig art. 4:8 Awb. Dat eiser door de Koninklijke Marechaussee is gehoord omtrent het voornemen tot ongewenstverklaring, maakt het voorgaande niet anders. Dat gehoor zag immers niet op het opleggen van een inreisverbod en daarin heeft derhalve niet de door de Afdeling in voormelde uitspraak vereiste vraagstelling met betrekking tot de duur en het opleggen van het inreisverbod plaatsgevonden. Niet blijkt dat eiser in dat gehoor is uitgelegd dat individuele omstandigheden mogelijk tot een kortere duur van het inreisverbod zouden kunnen leiden en dat het aan hem is zodanige omstandigheden aan te voeren. Evenmin blijkt dat tijdens een gehoor enige specifiek daarop gerichte vraagstelling heeft plaatsgevonden. Er heeft geen vaststelling plaatsgevonden van eventuele bijzondere individuele omstandigheden in een gehoor. De beroepsgrond van eiser slaagt. De overige gronden behoeven thans geen bespreking. Het beroep is gegrond. De Rb. zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 4:8 van de Awb.
Rechters
Advocaten
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
