ECLI:NL:RBSGR:2012:BY6156
Rechtbank 's-Gravenhage · 20-03-2012 · zaaknummer AWB 11/33212
Inhoudsindicatie
Nareizen; Somalië; feitelijke gezinsband; gehoor op de ambassade; dna-onderzoek; horen in bezwaar; gegrond. Naar het oordeel van de rechtbank is, anders dan verweerder stelt, geenszins uit te sluiten dat de door verweerder tegengeworpen tegenstrijdigheden het gevolg kunnen zijn van een onzorgvuldige vertaling of verslaglegging tijdens het gehoor in het kader van de aanvraag om advies inzake afgifte van een mvv voor nareis. Gelet hierop is referent ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld te reageren op het rapport van bevindingen, welke werkwijze is omschreven in IND-Werkinstructie 2012/11. Dit klemt te meer nu het verslag van het gehoor van 21 februari 2011 en de hierin door verweerder geconstateerde onvolkomenheden en tegenstrijdigheden doorslaggevend zijn geweest in het bestreden afwijzende besluit en referent bovendien in het geheel niet is gehoord in het kader van de mvv-aanvraag. Onder verwijzing naar voornoemde uitspraak van 2 december 2011, stelt de rechtbank voorts vast dat verweerder ook in de onderhavige zaak ten onrechte geen enkele overweging heeft gewijd aan het gestelde biologische kind van referent (hierna: het kind) op wie de aanvraag ook ziet. Het feit dat zij gezien haar jonge leeftijd niet zelfstandig heeft kunnen worden gehoord, neemt niet weg dat verweerder ook ten aanzien van haar dient te motiveren of en, zo ja, op grond waarvan de feitelijke gezinsband in het land van herkomst niet aannemelijk wordt geacht. De rechtbank acht dat in deze zaak des te meer van belang, nu verweerder, zoals ter zitting is toegelicht, in deze zaak betwijfelt of eiseres wel degene is die zij zegt te zijn. Nog afgezien van de vraag of die twijfel op basis van de afgelegde verklaringen gerechtvaardigd is, ziet die twijfel niet zonder meer op het kind. Weliswaar volgt de rechtbank de gemachtigde van eisers niet in de stelling dat het beleid van verweerder als neergelegd in de voornoemde IND-Werkinstructie een DNA-onderzoek bij biologische kinderen in alle gevallen van bewijsnood verplicht stelt, nu daarin onder 2.2.2. tevens is opgenomen dat het DNA-onderzoek niet wordt gestart als de asielaanvraag van het gezinslid zelf op andere gronden kan worden afgewezen. Dit beleidsonderdeel biedt daarmee de ruimte om, indien kan worden vastgesteld dat er in het land van herkomst geen sprake was van een feitelijke gezinsband, af te zien van het aanbieden van een DNA-onderzoek. Indien echter de feitelijke gezinsband niet aannemelijk wordt geacht wegens (gegronde) twijfel over de identiteit van de echtgenote, dan staat daarmee ten aanzien van het kind nog niet vast dat ook aan haar identiteit (en de vraag of in het land van herkomst sprake was van een feitelijke gezinsband tussen haar en referent) getwijfeld dient te worden. Uit het beleid volgt dan, dat het aanbieden van een DNA-onderzoek de aangewezen weg is om hier uitsluitsel over te verkrijgen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, was naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar en had het in de rede gelegen in de bezwaarfase zowel referent als eiseres had gehoord.
Rechters
Advocaten
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiseres]
eiseres · onbekend
de minister van Buitenlandse Zaken
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de minister van Buitenlandse Zaken
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
