ECLI:NL:RBSGR:2012:BY4983
Rechtbank 's-Gravenhage · 04-10-2012 · zaaknummer 12/8209
Inhoudsindicatie
In artikel 8:22, vierde lid, van het Vb is bepaald dat een aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring slechts kan worden gedaan nadat, sinds de verwijdering om redenen van openbare orde of openbare veiligheid een redelijke termijn is verstreken of indien die verwijdering tenminste drie jaren voorafgaand aan de aanvraag heeft plaats gevonden. Ook artikel 32 van de richtlijn 2004/38 beperkt zich tot de mogelijkheid van het indienen van een aanvraag tot opheffen van de ongewenstverklaring voor die personen die zijn verwijderd. Eiser heeft op 27 juli 2011 een aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring ingediend. Zowel ten tijde van de beslissing in primo, 30 september 2011, als ten tijde van de beslissing op bezwaar, 10 februari 2012, bevond eiser zich in Nederland, en werd niet voldaan aan de voorwaarde van verwijdering genoemd in artikel 8.22, vierde lid, van het Vb en artikel 32 van de richtlijn 2004/38. Evenmin was er twee jaar verstreken sinds de ongewenstverklaring, zodat ook het beoordelingskader van artikel 8.22, zesde lid, van het Vb niet aan de orde is. De omstandigheid dat eiser inmiddels is uitgezet leidt niet tot een ander oordeel, nu de rechtbank de situatie ten tijde van het bestreden besluit dient te toetsen. Naar het oordeel van de rechtbank kan in de richtlijn noch in het door eiser genoemde arrest van 2 juni 2005 -dat, anders dan in het geval van eiser, het besluit tot verwijdering zelf betrof en betrekking had op Richtlijn 64/221/EEG, welke richtlijn blijkens artikel 38, tweede en derde lid, van de richtlijn 2004/38, is komen te vervallen - geen grond worden gevonden voor het oordeel dat in zaken waarin een beroep wordt gedaan op toepassing van deze richtlijn een zogenaamde ‘ex nunc toetsing’ dient plaats te vinden. De beroepsgrond van eiser dat de eis van verwijdering niet mag worden gesteld in het geval dat het eerdere besluit tot ongewenstverklaring flagrant in strijd zou zijn met artikel 27 van de richtlijn, kan niet slagen. Nog daargelaten dat eiser deze stelling poneert zonder daarvoor een onderbouwing te geven, staat het besluit tot ongewenstverklaring in rechte vast en dient volgens het nationale procesrecht van de rechtmatigheid van dat besluit te worden uitgegaan. Ook in de tekst van de richtlijn en in de jurisprudentie van het Hof vindt de rechtbank geen aanknopingspunten die dit betoog van eiser ondersteunen.
Rechters
Advocaten
- M.L. van Riel
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
