Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY4548

Rechtbank 's-Gravenhage · 06-11-2012 · zaaknummer 12-17691

Bestuursrecht; Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

De Rb. volgt eiseres niet in haar betoog dat de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen van 16 oktober 1980 (Trb. 1981, 239; hierna: het Verdrag van Straatsburg) geen gelding heeft tussen staten onderling en op de bepalingen van dat verdrag alleen door vluchtelingen een beroep kan worden gedaan. Zo is in art. 4, lid 1 en 2 van het Verdrag van Straatsburg uitdrukkelijk voorzien in een bevoegdheid van de tweede staat om aan de eerste staat een verzoek om wedertoelating van de vluchteling in te dienen. Voorts blijkt uit de toelichting in het Explanatory Report onder punt 9 dat met het Verdrag van Straatsburg is beoogd een evenwicht te bereiken tussen de belangen van de vluchteling en de belangen van de eerste en tweede staat. De Rb. volgt eiseres voorts niet in haar standpunt dat uit de toelichting op art. 4, lid 1 van het Verdrag van Straatsburg volgt dat de tweede staat, in dit geval Nederland, bij de eerste staat, in dit geval Noorwegen, slechts een verzoek tot wedertoelating kan indienen op verzoek van de vluchteling, in dit geval eiseres. De Rb. leest art. 4, lid 1, tweede volzin, van het Verdrag van Straatsburg aldus dat in de situatie waarin de geldigheidsduur van het reisdocument van de vluchteling is verstreken, alleen de tweede staat bij de eerste staat een verzoek om wedertoelating van de vluchteling kan indienen, mits dit binnen zes maanden na verstrijken van de geldigheidsduur van het reisdocument geschiedt. De zinsnede in de toelichting op art. 4, lid 1 “at the refugee's instance, should the occasion arise”, leest de Rb. als “in voorkomend geval op verzoek van de vluchteling” en doet aan het vorenstaande dan ook niet af. De Rb. is voorts van oordeel dat art. 4, lid 1, eerste volzin, van het Verdrag van Straatsburg niet los gezien kan worden van de tweede volzin van dit artikel. Dat brengt de Rb., en in zoverre anders dan de voorzieningenrechter in de door eiseres aangehaalde uitspraak, tot het oordeel dat art. 4, lid 1, niet uitsluit dat, in de situatie dat de geldigheidsduur van het reisdocument van de vluchteling nog niet is verstreken, ook de tweede staat – naast de vluchteling - zich met een verzoek tot wedertoelating tot de eerste staat kan wenden. Niet in geschil is dat eiseres door Noorwegen als vluchteling is erkend, dat Noorwegen heeft toegezegd om eiseres op grond van art. 4 van het Verdrag van Straatsburg weer toe te laten en dat eiseres op grond van die toezegging aan Noorwegen zal worden overgedragen. Verweerder heeft daarom de aanvraag van eiseres terecht op grond van art. 30, lid 1, aanhef en onder d, Vw, afgewezen.

Rechters

Partijen

  • [eiseres]

    eiseres · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.