ECLI:NL:RBSGR:2012:BY2729
Rechtbank 's-Gravenhage · 04-09-2012 · zaaknummer AWB 12/26296 & 12/26294
Inhoudsindicatie
Nu verweerder in het bestreden besluit alleen heeft bezien of verzoekster behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep als bedoeld in het beleid en of verzoekster louter door haar aanwezigheid te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM bij terugkeer, heeft verweerder ten onrechte niet beoordeeld of zij tot een groep behoort die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging. Hieruit volgt dat de grond van verzoekster slaagt, dat het beroep gegrond is en het besluit van 15 augustus 2012 wegens strijd met artikel 3:2 Awb en artikel 3:46 Awb voor vernietiging in aanmerking komt. De voorzieningenrechter beoordeelt voorts of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.De voorzieningenrechter is van oordeel dat gelet op de door verzoekster ingeroepen stukken zoals: – het algemene ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse zaken inzake Irak (hierna: het ambtsbericht) van 27 oktober 2010; – het ambtsbericht van 16 december 2011; – (een samenvatting van) het rapport ‘Mandaean Human Rights Annual Report’ van de Mandaean Human Rights Group (hierna: MHRG) van september 2011; – het Annual Report of the United States Commission on International Religious Freedom (hierna: USCIRF)’ van de USCIRF van maart 2012; – de UNHCR Eligibility Guidelines inzake Irak van 31 mei 2012 (hierna: het UNHCR rapport, verweerder ook ter zitting onvoldoende heeft gemotiveerd waarom Mandeeërs in Irak niet dienen te worden aangemerkt als een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. Daarbij neemt de Rb. in aanmerking het uit voormelde stukken volgende systematische karakter van het tot Mandeëers gerichte geweld, als gevolg waarvan deze geloofsgemeenschap in Irak – door emigratie dan wel door overlijden – de afgelopen tien jaar is gedecimeerd, bezien in samenhang met het ontbreken van bescherming van clans- en overheidszijde tegen deze gewelddadigheden. Dat, zoals verweerder in het aangehaalde hoger beroepschrift naar voren heeft gebracht, dit al bijna een decennium gaande is, doet geen afbreuk aan dit oordeel maar draagt daar juist aan bij. Uit de stukken blijkt immers niet slechts dat deze praktijk van onmenselijke behandelingen reeds langdurig plaatsvindt, maar ook onverminderd voortduurt, zodat er reden te meer is te veronderstellen dat verzoekster na terugkeer een reëel risico loopt hiervan slachtoffer te worden. Ten aanzien van de verwijzing door verweerder naar de uitspraak van de Afdeling van 21 april 2010 (200909600/1/V2), overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De Afdeling geeft in deze uitspraak, zo begrijpt de voorzieningenrechter, slechts aan dat uit de vaststelling dat de Mandeeërs zijn aangewezen tot kwetsbare minderheidsgroep nog niet volgt dat zij dienen te worden aangemerkt als groep die systematisch blootstaat aan vervolging. Deze overweging volgt de voorzieningenrechter, maar doet niet af aan hetgeen hierboven is geoordeeld aan de hand van de overgelegde stukken. Dit geldt temeer nu deze stukken grotendeels dateren van na deze uitspraak van de Afdeling. Beroep gegrond.
Rechters
Advocaten
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
