Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY2715

Rechtbank 's-Gravenhage · 30-10-2012 · zaaknummer AWB 11/32601, 12/20521 & 12/20522

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Inreisverbod voor de duur van tien jaar Verweerder heeft eiser niet mondeling gehoord alvorens een inreisverbod uit te vaardigen en uit het bestreden besluit blijkt niet noch is daar uit af te leiden waarom verweerder hiervan heeft afgezien en op welke wijze door verweerder dan invulling is gegeven aan de hoorplicht. De beroepsgrond slaagt derhalve. Het besluit is reeds hierom in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb.(…). De rechtbank stelt vast dat in het BMA-advies niet wordt ingegaan op het standpunt van de huisarts in zijn brief van 18 mei 2012 dat indien eiser geen regelmatig leven heeft de behandeling met insuline is gecontraïndiceerd. Door eiser is uitvoerig en onbetwist betoogd dat hij door de situatie waarin hij sinds de ongewenstverklaring verkeert en door het inreisverbod zal blijven verkeren, niet in staat is een regelmatig leven te leiden. Daargelaten of verweerder voormelde brief van de huisarts, al dan niet met andere vragen, aan het BMA had moeten voorleggen, had verweerder in het bestreden besluit moeten reageren op het in de brief ingenomen standpunt dat verzoeker door het inreisverbod niet in staat is een regelmatig leven te leiden. (…). Anders dan door verweerder is betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheden, zoals genoemd in artikel 6.5 Vb, op grond waarvan wordt afgezien van het uitvaardigen van een inreisverbod, niet limitatief zijn. In dit verband wordt verwezen naar de artikelen 11, tweede lid, Terugkeerrichtlijn en 66a, achtste lid, Vw, waarin staat dat in humanitaire of andere gevallen kan worden afgezien van het opleggen van een inreisverbod. Hieruit volgt dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden dient te betrekken bij de beoordeling of aanleiding bestaat om af te zien van de uitvaardiging van een inreisverbod. Zoals reeds in de rechtsoverwegingen 15 en 15.1 is vastgesteld, hebben partijen geen hoger beroep ingesteld tegen voormelde uitspraak, zodat de hiervoor opgenomen overwegingen in die uitspraak als uitgangspunt dienen te gelden. De rechtbank ziet zich derhalve gesteld voor de vraag in hoeverre verweerder in het thans bestreden besluit gevolg heeft gegeven aan de hiervoor weergegeven opdracht van de rechtbank ter zake van de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM inzake het gezinsleven van eiser en zijn minderjarige zoon. (…). De rechtbank stelt vast dat verweerder tijdens de hoorzitting de wijze waarop eiser en zijn minderjarige zoon invulling geven aan hun gezinsleven aan de orde heeft gesteld, maar met de wijze waarop verweerder deze verklaringen vervolgens in het bestreden besluit bij de belangenafweging heeft betrokken, heeft verweerder de opdracht van de rechtbank in voormelde uitspraak niet nageleefd. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de medische omstandigheden van eiser, artikel 3 en 8 EVRM, zowel afzonderlijk als in samenhang bezien, mede gelet op het bepaalde in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, kan verweerder zonder nadere motivering niet worden gevolgd in zijn standpunt dat geen sprake is van humanitaire dan wel andere redenen die ertoe nopen dat in het onderhavige geval wordt afgezien van de uitvaardiging van een inreisverbod dan wel tot verkorten van de duur van het inreisverbod.

Advocaten

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.