ECLI:NL:RBSGR:2012:BX7320
Rechtbank 's-Gravenhage · 25-07-2012 · zaaknummer 12/3779
Inhoudsindicatie
De rechtbank stelt vast dat eiser, voorafgaand aan het inreisverbod niet is gehoord over de uitvaardiging van dat verbod noch over de duur daarvan. Voorts stelt de rechtbank vast, dat verweerder evenmin in het voornemen van 18 januari 2012 dan wel op enig ander moment in de bestuurlijke fase aan eiser kenbaar heeft gemaakt dat humanitaire of andere redenen aanleiding kunnen geven tot het niet uitvaardigen van een inreisverbod en dat nader onderbouwde bijzondere individuele omstandigheden aanleiding kunnen geven tot verkorting van de duur daarvan. Gelet op de met betrekking tot het uitvaardigen van inreisverboden in de Vc neergelegde (procedurele) beleidsregels, zoals weergegeven in de rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.8, en gelet op hetgeen in voornoemde uitspraak door de Afdeling is overwogen over artikel 4:8 eerste lid, Awb, gelezen in samenhang met artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, is de rechtbank van oordeel dat voormelde handelwijze van verweerder niet getuigt van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit tot het uitvaardigen van een inreisverbod voor de maximale duur 10 jaar. Daarbij wijst de rechtbank er op dat in de hierboven bedoelde beleidsregels in paragraaf A5/6.5.1 Vc is neergelegd, dat ook indien - zoals in dit geval - een inreisverbod wordt gegeven bij meeromvattende beschikking de IND er voor zorg draagt dat toepassing wordt gegeven aan hetgeen gesteld is in paragraaf A5/6.4.2 Vc en dat daarin is bepaald dat de vreemdeling bij voorkeur mondeling wordt gehoord en dat uit het dossier duidelijk naar voren dient te komen of en hoe uitvoering wordt gegeven aan de hoorplicht ingevolge artikel 4:7 en 4:8 Awb. Het voorgaande klemt temeer nu het een inreisverbod betreft voor de duur van tien jaar. Daarnaast is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid, nu verweerder heeft nagelaten om onderzoek te verrichten naar de verblijfsrechtelijke gegevens van de familieleden van eiser en afhankelijk van de uitkomst daarvan deze bij de beoordeling van eisers aanvraag te betrekken. Het bestreden besluit komt vanwege schending van de artikelen 3:2 en 3:46 Awb voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet echter, uit een oogpunt van finale geschilbeslechting, aanleiding om verweerder op grond van artikel 8:51a Awb in de gelegenheid stellen de voormelde gebreken.
Advocaten
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
