ECLI:NL:RBSGR:2012:BX4976
Rechtbank 's-Gravenhage · 20-08-2012 · zaaknummer AWB 12/22159
Inhoudsindicatie
Zaak wijkt af van de situatie in ABRvS 20 juli 2001, <i>LJN:</i> AE4976, en 2 augustus 2001, <i>LJN:</i> AG9186. In deze uitspraken is geoordeeld dat tijdens de vreemdelingrechtelijke ophouding niet steeds een uitsluitend daarop betrekking hebbend afzonderlijk verhoor dient plaats te vinden. Zo’n verhoor kan met name achterwege worden gelaten als de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling al vaststaan en de vreemdeling ter onmiddellijke voorbereiding op de inbewaringstelling en het daaraan voorafgaande gehoor wordt overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor en aldaar gedurende een beperkte tijd wordt opgehouden. Uit deze jurisprudentie volgt verder dat, indien een verhoor tijdens de ophouding achterwege blijft, het eerste lid van artikel 4.18 van het Vb 2000 er niet toe strekt dat de vreemdeling ook dan gewezen dient te worden op zijn bevoegdheid zich te doen bijstaan door een raadsman. Anders dan door verweerder is gesteld, leidt de rechtbank uit de feiten af dat er wel degelijk een verhoor in het kader van de ophouding van eiser is afgenomen en dat hiertoe voor verweerder blijkbaar ook aanleiding heeft bestaan. Eiser is niet meegedeeld dat hij zich kon laten bijstaan door een rechtshulpverlener. Dit leidt tot een schending van artikel 4.18, eerste lid, van het Vb 2000. De belangenafweging valt uit in het voordeel van eiser.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
