ECLI:NL:RBSGR:2012:BX3433
Rechtbank 's-Gravenhage · 02-02-2012 · zaaknummer AWB 11/15661
Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. Eiser is op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 ongewenstverklaard en verweerder zal overgaan tot signalering in het SIS. Niet in geschil is dat eisers partner de Poolse nationaliteit heeft en mitsdien Unieburger is. Evenmin is in geschil dat eiser en zijn partner, ten tijde van belang, een deugdelijk bewezen duurzame relatie onderhielden, maar niet gehuwd waren noch een geregistreerd partnerschap hadden gesloten. Uit artikel 3, eerste lid, van de Richtlijn 2004/38/EG volgt dan ook dat deze niet op eiser van toepassing is. Verder blijkt uit de stukken dat ten tijde van het bestreden besluit, noch ten tijde van het besluit in primo, sprake was van een situatie waarbij eiser en zijn partner samen in Nederland verbleven als bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, van het Vb 2000, zodat eiser evenmin onder het bereik van hoofdstuk 8, afdeling 2, paragraaf 2. EG/EER van het Vb 2000 viel. Ten aanzien van het betoog dat de in deze paragraaf opgenomen bepalingen, waaronder artikel 8.22 van het Vb 2000, analoog moeten worden toegepast, overweegt de rechtbank dat uit het Singh-arrest noch anderszins kan worden afgeleid dat voor een dergelijke analoge toepassing plaats is. Ten eerste is daarbij van belang dat hier, anders dan bij het Singh-arrest aan de orde was, geen sprake is van een ten aanzien van een eigen onderdaan opgeworpen belemmering. Ten tweede kent, zoals eerder overwogen, het gemeenschapsrecht eiser geen rechten toe, zodat van analoge toekenning van dergelijke rechten geen sprake kan zijn. Dat Nederland aan personen die in Nederland een deugdelijke bewezen duurzame relatie onderhouden met een burger van de Unie, dezelfde rechten toekent als aan personen die met een burger van de Unie gehuwd zijn, is, zo blijkt ook uit artikel 3, tweede lid, onder b, van de Richtlijn, een bepaling van nationaal recht zodat voor analoge toepassing van dat recht indien niet langer sprake is van een gezamenlijk verblijf in Nederland, geen plaats is. Verweerder heeft evenwel ten onrechte vastgehouden aan het uitgangspunt dat in eisers eerdere asielprocedure in rechte is komen vast te staan dat eiser geen vluchteling is en niet aannemelijk is geworden dat hij een risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. De aan eiser verleende voorwaardelijke vergunning tot verblijf is, zo begrijpt de rechtbank, met de inwerkingtreding van de Vw 2000 van rechtswege omgezet in een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd asiel. Zoals volgt uit de wetsgeschiedenis en uit vaste jurisprudentie van de Afdeling had eiser hangende de geldigheidsduur van laatstgenoemde verblijfsvergunning geen belang bij een beoordeling in rechte van de weigering van verweerder een verblijfsvergunning te verlenen op één van de andere gronden dan waarop hij was toegelaten en lag doorprocederen dus niet in de rede. Dit belang komt, zo volgt eveneens uit bedoelde jurisprudentie, weer te herleven met het voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning. In het licht van het voorgaande heeft verweerder niet kunnen volstaan met de door hem verrichtte ex nunc toetsing.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
